Geen herstelmogelijkheid bij schending administratieplicht

Datum: 4 juni 2021

X ontving navorderingsaanslagen IB en naheffingsaanslagen BTW voor de jaren 2011 tot en met 2014, nadat uit strafrechtelijk onderzoek was gebleken dat hij op grote schaal tegen betaling belastingaangiften voor derden had verzorgd en deze betalingen niet had aangegeven. X maakte bezwaar, waarna de inspecteur hem herhaaldelijk verzocht om zijn administratie te verstrekken. Toen X daaraan geen gehoor gaf, nam de inspecteur een informatiebeschikking. X ging in beroep. Rechtbank Den Haag vernietigde de informatiebeschikking gedeeltelijk, omdat X tot 24 april 2013 als resultaatgenieter niet administratieplichtig was, maar daarna wel omdat hij zich met die startdatum had ingeschreven bij de KvK als eigenaar van een eenmanszaak die administratieve werkzaamheden verrichtte voor particulieren. De Rechtbank concludeerde dat de informatiebeschikking terecht was gegeven voor de jaren 2013 en 2014. Zowel X als de inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Haag besliste dat de inspecteur vooral met verklaringen van diverse belastingplichtigen dat X voor hen aangiften verzorgde, aannemelijk had gemaakt dat X gedurende de periode 2011-2014 bedrijfsmatige activiteiten had verricht waardoor X administratieplichtig was in de zin van artikel 52 AWR. X moest de in de informatiebeschikking gevraagde gegevens overleggen. X ging in cassatie. De Hoge Raad stelde X gedeeltelijk in het gelijk. De Hoge Raad verwierp de stelling van X dat het Hof in de procedure over de informatiebeschikking geen beslissing kon geven over de vraag of X ondernemer was in de zin van de Wet IB 2001 of resultaat uit overige werkzaamheden genoot. Omdat in artikel 52 AWR de administratieplicht was opgelegd aan lichamen en personen die een zekere, in de belastingwet omschreven hoedanigheid hadden, moest de vraag of het lichaam of de persoon in kwestie die hoedanigheid had, worden beantwoord in de procedure waarin de informatiebeschikking op die grond werd bestreden. Het Hof had volgens de Hoge Raad echter ten onrechte beslist dat de inspecteur ook moest beschikken over de administratie van 2015 omdat het over tot de relevante activiteiten van X in 2015 niets had vastgesteld. Toch kon dit niet tot cassatie leiden omdat de beslissing van het Hof met betrekking tot een administratie van 2015 niet bijdroeg aan het in de uitspraak van het Hof besloten liggende oordeel over de vraag of X in 2011 tot en met 2014 de administratieplicht van artikel 52 AWR had geschonden. Alleen die vraag was in de procedure voor het Hof aan de orde. De Hoge Raad zag echter ambtshalve reden voor cassatie omdat het Hof ten onrechte een nieuwe termijn had gesteld om alsnog te voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichting(en). De administratieplicht hield volgens artikel 52 AWR in dat de rechten en plichten van het bedrijf en de voor de heffing van belasting verder van belang zijnde gegevens te allen tijde duidelijk uit de administratie moesten blijken. Uit de wetsgeschiedenis volgde dat de administratie regelmatig moest worden bijgehouden en daarom moest worden aangenomen dat het niet mogelijk was om achteraf alsnog aan de administratieplicht te voldoen als vaststond – zoals in dit geval voor 2011 tot en met 2014 – dat de administratieplichtige had nagelaten een administratie bij te houden. In zo’n geval was daarom geen plaats voor toepassing van artikel 27e, lid 2, AWR, op grond waarvan de rechter aan de belanghebbende een nieuwe termijn stelde om alsnog te voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichting(en). Die bepaling was geschreven voor gevallen waarin de rechter in een procedure over een informatiebeschikking besliste dat een verzoek van de inspecteur om informatie te verstrekken – bijvoorbeeld op de voet van artikel 47 AWR – rechtmatig was. De beslissing van het Hof was daarom in zoverre onjuist.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021