Equity partner Deloitte niet in dienstbetrekking

Datum: 18 mei 2021

Fiscalist X trad op 1 november 2006 in dienst bij Deloitte Belastingadviseurs BV, waar hij aanvankelijk werkzaam was als Senior Manager en later als Director. Op 1 juni 2014 werd de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd en kwamen X en Deloitte een aansluitingsovereenkomst overeen, op grond waarvan X via zijn persoonlijke BV Y als Equity Partner voor Deloitte ging werken. In de aansluitingsovereenkomst was opgenomen dat partijen niet beoogden een arbeidsrechtelijke relatie op welke wijze dan ook tot stand te brengen. Op 29 juni 2020 zegde Deloitte de aansluitings-overeenkomst met ingang van 31 december 2020 op. X spande hierop een procedure aan tegen Deloitte en stelde dat hij gelet op het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020 werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter van Rechtbank Rotterdam stelde X in het ongelijk. Er was wel sprake van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, maar aan de andere voorwaarden van een arbeidsovereenkomst (loon en gezagsverhouding) was niet voldaan. X en Deloitte waren naast de aansluitingsovereenkomst diverse andere overeenkomsten aangegaan, op grond waarvan BV Y met een kapitaalinleg van € 25.000 lid was geworden van Coöperatief Deloitte U.A. Daarnaast had BV Y zich voor € 475.000 ingekocht als aandeelhouder van Deloitte. Deloitte keerde aan BV Y bij wijze van voorschot maandelijks een managementvergoeding uit – gebaseerd op de verwachte winst – en daarnaast was door Coöperatief Deloitte U.A. een honorarium toegekend. Deze vergoedingen waren onderworpen aan Vpb en BTW en door X was een loonbeschikking aangevraagd voor BV Y. X had zich hiermee volgens de kantonrechter naar de Belastingdienst gepresenteerd als ondernemer. X deelde volgens de kantonrechter in de winst of het verlies, wat niet wees op de aanwezigheid van loon zoals gebruikelijk bij een arbeidsovereenkomst. Verder waren Equity Partners bij Deloitte vrij en zelfstandig in het wel of niet aannemen van opdrachten van klanten, de wijze waarop zij de werkzaamheden (vakinhoudelijk) verrichten en in de wijze waarop cliëntrelaties werden opgebouwd. Dit wees eerder op de afwezigheid dan op de aanwezigheid van een gezagsverhouding. De overeenkomst tussen X en Deloitte voldeed vanwege het ontbreken van loon en de gezagsverhouding niet aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610, lid 1, BW.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021