Belastingadvieskantoor schadeplichtig voor belastingrente ex-client

Datum: 18 mei 2021

Belastingadvieskantoor A verzorgde vanaf 1996 jaarlijks de aangifte Vpb van X. Zij deed dit telkens nadat zij van X een definitieve jaarrekening had ontvangen en nadat zij hierover telefonisch met X had overlegd. Begin 2018 werd de relatie beëindigd. X had toen een voorlopige aanslag (VA) Vpb 2017 van € 2,5 mln ontvangen en betaald. Uit een door A aan X verstrekte voorlopige berekening van de Vpb 2017 bleek dat X ruim € 3,9 mln Vpb was verschuldigd. De nieuwe belastingadviseur van X (B) vroeg eind februari 2019 een nieuwe VA Vpb 2017 aan, waarna de Belastingdienst deze oplegde en daarbij € 80.052 belastingrente in rekening bracht. X vond dat A haar zorgplicht had geschonden en stelde A aansprakelijk voor de verschuldigde belastingrente. Rechtbank Rotterdam stelde X gedeeltelijk in het gelijk. De Rechtbank stelde voorop dat van een belastingadviseur in zijn algemeenheid mocht worden verwacht dat deze ervoor zorgde dat de klant tijdig een afdoende VA Vpb kreeg om te voorkomen dat deze relatief aanzienlijke bedragen aan belastingrente moest voldoen. De Rechtbank besliste vervolgens dat door de lange duur van de relatie beide partijen er begin 2018, zonder tegenbericht van de ander, redelijkerwijs op mochten vertrouwen dat A de aangifte Vpb 2017 zou gaan verzorgen. Volgens de Rechtbank was in zoverre sprake van een doorlopende opdrachtrelatie waarop artikel 7:401 BW van toepassing was. X had volgens de Rechtbank uit vergelijking van de door A verstrekte berekening met de aan haar (automatisch) opgelegde VA Vpb 2017 kunnen begrijpen en had ook moeten begrijpen dat zij over 2017 nog een aanzienlijk bedrag aan Vpb moest voldoen. Ook had X met een van de website van de Belastingdienst te downloaden formulier en de door A verstrekte berekening, relatief eenvoudig om een wijziging van de VA Vpb kunnen vragen. Daaruit volgde echter niet zonder meer dat X wist of redelijkerwijze behoorde te weten dat zij een belastingrente van 8% riskeerde als de al betaalde Vpb 2017 lager was dan het volgens de definitieve aanslag verschuldigde bedrag en dat dit met een tijdige wijziging van de VA kon worden voorkomen. De daarvoor benodigde kennis kon niet bij de gemiddelde burger of de gemiddelde boekhoudkundige aanwezig worden geacht. Dit bleek ook uit een door de branchevereniging SRA, waarvan A lid was, voor haar leden opgestelde “Praktijkhandreiking belastingrente en invorderingsrente” waarin de regelgeving rondom belastingrente “niet eenvoudig” werd genoemd. Uit het verschil tussen de (automatisch) opgelegde VA Vpb 2017 en de door A in februari 2018 berekende Vpb 2017 volgde volgens de Rechtbank niet dat A toen spontaan een verzoek tot wijziging van de VA had moeten indienen omdat uit het telefonisch overleg dat partijen jaarlijks over het indienen van de aangifte Vpb voerden volgde dat het tussen hen niet gebruikelijk was dat A dergelijke werkzaamheden op eigen initiatief deed. Bovendien kon A er niet zonder meer vanuit gaan dat de cijfers waarop zij haar berekening baseerde overeenstemden met die in de nog vast te stellen jaarrekening over 2017. A had X op enig moment en in ieder geval bij het beëindigen van de relatie op zijn minst moeten waarschuwen voor het risico op heffing van belastingrente als de VA aanslag op 1 juli 2018 niet aansloot op de over 2017 verschuldigde Vpb en dat een wijziging van de VA kon worden gevraagd om dat te bewerkstelligen. Dat behoorde niet alleen bij door haar als redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur in acht te nemen zorg, maar ook bij hetgeen uit de redelijkheid en billijkheid bij de beëindiging van een langdurige relatie als de onderhavige behoorde. A had die waarschuwing niet gegeven en was daarom tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens X. Dit betekende echter niet dat A alle door X gevorderde schade moest vergoeden. B had vanaf 16 oktober 2018 de verzorging van de aangiften Vpb van X op zich genomen. Vanaf die datum rustte de verplichting om ervoor te zorgen dat X tijdig een afdoende VA Vpb kreeg op B. Volgens de Rechtbank had B dit vóór 1 november 2018 kunnen en behoren te doen. Dat zij niet vóór 1 november 2018 maar eerst eind februari 2019 daartoe was overgegaan was een omstandigheid die aan X moest worden toegerekend. A moest daarom slechts de schade vergoeden die X door de geheven belastingrente over de periode van 1 juli 2018 tot 1 november 2018 had geleden. Daarbij ging het om de helft van de tussen 1 juli 2018 en 2 maart 2019 geheven belastingrente van € 80.052. De Rechtbank wees daarom de gevorderde schadevergoeding toe voor een bedrag van (€ 80.052 : 2 =) € 40.026.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021