Britse LLP niet-transparant lichaam voor Vpb; aanslag bleef in stand

Datum: 17 mei 2021

X was begin 2014 opgericht naar het recht van het Verenigd Koninkrijk en had de rechtsvorm van een Limited Liability Partnership (LLP). Zij had twee members: de participanten Y en Z. Y bezat middellijk alle aandelen van Z. De activiteiten van X bestonden uit het leveren van adviesdiensten en het detacheren van personeel op het gebied van documentaire dienstverlening. X diende een nihilaangifte Vpb 2014 in omdat een Engelse LLP volgens haar niet belastingplichtig was voor de Vpb. De inspecteur stelde dat X als niet-transparant lichaam moest worden aangemerkt en legde een aanslag Vpb 2014 op naar een belastbaar bedrag van € 120.000. X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde voorop dat X een naar buitenlands recht opgericht samenwerkingsverband was en dat voor de beantwoording van de vraag of X naar Nederlandse fiscale maatstaven al dan niet transparant was, (onder meer) een arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006 van belang was. Daaruit volgde onder meer dat een naar buitenlands recht opgericht samenwerkingsverband niet transparant was als de participanten slechts aansprakelijk waren tot hun inleg. Hof Den Haag had in een uitspraak van 11 augustus 2020 de Britse wetgeving ten aanzien van het aansprakelijkheidsvraagstuk van een Britse LLP geanalyseerd. Daaruit bleek dat een LLP als X civielrechtelijk een rechtspersoon was die, met uitzondering van anderen, aansprakelijk was voor de door haar aangegane verbintenissen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kon een participant verplicht worden bij te dragen in het tekort van de LLP ten tijde van insolventie. X had volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat gebruik was gemaakt van de onder Brits recht bestaande mogelijkheid om de aansprakelijkheid contractueel uit te breiden, zodat het uitgangspunt bleef gelden dat X zelf aansprakelijk was voor de door haar aangegane verbintenissen. De participanten in X waren volgens de Rechtbank daarom slechts aansprakelijk tot hun inleg. Verder was de onderneming van de LLP eigendom van de LLP en werd de onderneming ook niet feitelijk voor rekening en risico van de participanten gedreven. X moest volgens de Rechtbank worden aangemerkt als niet-transparant lichaam. De Rechtbank handhaafde de aanslag en verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021