Ondernemer niet belast voor zaakwaarneming erfenis overleden broer

Datum: 17 mei 2021

Y exploiteerde een eenmanszaak op het gebied van transport en logistiek. Hij overleed op 26 oktober 2015. Kort voor zijn overlijden had hij in verband met zijn ziekte een verklaring opgesteld waarin stond dat hij vier vrachtwagens had die waren afbetaald en die dienst deden voor zijn andere bedrijf in Bulgarije. Al zijn bezittingen waren volgens de verklaring betaald, behalve de bruggen, machines en andere reparatiebenodigdheden die van zijn broer X waren. Volgens Y had hij geen schulden, behalve een schuld van € 25.000 aan de Belastingdienst. Y had als enige erfgenaam zijn minderjarige dochter Z, die de nalatenschap beneficiair aanvaardde. Broer X stond vanaf 1 januari 2016 kort ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hij had de lopende opdrachten van de eenmanszaak van zijn broer uitgediend. De inspecteur belastte bij X € 78.264 als winst uit onderneming (WUO). Hierin was € 38.500 begrepen voor de verkoop van de vier vrachtauto’s. Daarbij legde hij een vergrijpboete op van € 5.510. X ging in beroep en stelde dat hij alleen had geprobeerd als zaakwaarnemer de boel te beredderen. Rechtbank Gelderland stelde X in het gelijk. De Rechtbank geloofde dat X de zaken voor zijn minderjarige nichtje Z had willen beredderen om zo de lopende verplichtingen na te komen en zo goed mogelijk aan de verplichtingen van zijn broer aan de Belastingdienst te kunnen voldoen. Volgens de Rechtbank was X opgetreden als zaakwaarnemer voor de nalatenschap in de zin van artikel 6:198 BW. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond. De inspecteur ging in hoger beroep maar zonder succes. Net als de Rechtbank besliste Hof Arnhem-Leeuwarden dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat X met de verkoop van de vrachtwagens een bedrag van € 38.500 als resultaat uit overige werkzaamheid had genoten. Het Hof stelde vast dat de inspecteur geen onderzoek had gedaan naar de stelling van X dat hij de opbrengst had afgestaan aan de moeder van zijn nichtje, de minderjarige erfgename. Het Hof besliste dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat X in 2016 enig inkomen had genoten zodat niet werd toegekomen aan de vraag of de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast moest worden toegepast. De Rechtbank had de aanslag over 2016 terecht verminderd tot nihil en terecht de boete en belastingrente en aanslag Zvw vernietigd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021