Levensverzekering na premievrijmaking voor IB-heffing spaarcontract

Datum: 11 mei 2021

Mevrouw X sloot op 16 maart 1993 een vaste termijnverzekering bij levensverzekeringsmaatschappij NV A. Onafhankelijk van het in leven zijn van de verzekerde werd het verzekerde bedrag op de einddatum 16 maart 2013 in Australische dollars uitgekeerd. Tot 16 maart 1995 betaalde mevrouw X € 1.633 aan premies. Per 16 maart 1995 werd de polis premievrij gemaakt. Het uit te keren bedrag op de einddatum werd daarom verminderd. In 2013 keerde NV A € 24.780 uit aan mevrouw X. Zij gaf niets aan in haar aangifte IB 2013. De inspecteur corrigeerde de aangifte met € 23.147 (€ 24.780 min € 1.633 aan premies), omdat volgens hem sprake was van een uitkering uit een levensverzekering. Hof Amsterdam was het daarmee eens, waarop mevrouw X in cassatie ging. De Hoge Raad besliste dat partijen de overeenkomst op 16 maart 1995 zodanig hadden gewijzigd dat deze daarna geen enkel element bevatte dat erop kon duiden dat een overlijdensrisico onderdeel was van de overeenkomst. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van mevrouw X gegrond en verwees de zaak naar Hof Den Haag. Dat Hof besliste dat de overeenkomst, na de premievrijmaking daarvan in 1995, voor de heffing van de IB niet (meer) kon worden aangemerkt als een overeenkomst van levensverzekering. Als gevolg van de premievrijmaking was het overlijdensrisico en daarmee het verzekeringselement verdwenen uit de overeenkomst. Na de premievrijmaking resteerde een overeenkomst die voor de IB-heffing moest worden aangemerkt als een spaarcontract, bestaande uit de inleg van een bedrag ineens (de tot het moment van premievrij maken opgebouwde premies) op het moment van het premievrij maken en een uitkering inclusief rente na verloop van achttien jaar. Voor de vaststelling van het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2013 was van belang welk bedrag aan rente was aangegroeid in de periode van 16 maart 1995 tot en met 31 december 2000. Op grond van Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AK, lid 2, Invoeringswet Wet IB 2001 werden de inkomsten uit vermogen gesteld op het bedrag dat in aanmerking zou zijn genomen als de lopende termijn (van rente) op 31 december 2000, tegen de waarde in het economische verkeer die daar op dat moment aan zou kunnen worden toegekend, zou zijn genoten. Het Hof schatte het kapitaal (ingelegde premies ten bedrage van € 1.633) inclusief de renteaangroei over de periode van 16 maart 1995 tot en met 31 december 2000 op een bedrag van € 4.000. Het bedrag dat in de heffing van box 1 kon worden betrokken was € 2.637 (€ 4.000 -/- € 1.633).

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021