Niet-doorsturen pachtstructuur aan collega-inspecteur ambtelijk verzuim

Datum: 4 mei 2021

Mevrouw X kocht samen met haar broer en zus in 2007 voor gelijke delen grond met opstallen van hun ouders. Het onroerend goed was geleverd onder voorbehoud van een pachtrecht ten behoeve van de ouders, voor gebruik door de moeder in haar landbouwbedrijf. De pacht was ingegaan op 6 juli 2007 en eindigde op 31 oktober 2019. De kinderen waren de koopsom aan de ouders schuldig gebleven. Een deel van de koopsom was vervolgens verrekend met een vordering die de kinderen nog hadden op hun ouders. Over het restant was in de periode 2007 tot en met 2010 jaarlijks 4% rente bijgeschreven op de hoofdsom, en in 2010 was het restant van de lening volledig afgelost. Mevrouw X gaf in haar aangifte IB 2007 het onroerend goed aan in box 3. In 2009 vond er uitvoerig overleg plaats tussen de inspecteur en de ouders van mevrouw X over de eerdere aankoop van de boerderij en de daaropvolgende verkoop ervan samen met de al aanwezige landbouwgrond aan de kinderen. Volgens de inspecteur was de prijs niet zakelijk omdat met willekeurige derden niet voor deze constructie zou zijn gekozen. Op 19 november 2009 bereikte de inspecteur een compromis met de ouders over de waarde van het aan de kinderen verkochte onroerend goed in verpachte staat. Op 2 februari 2014 beëindigde de moeder de pacht met betrekking tot een deel van de grond. Daarna werden de gronden verpacht aan een derde. Mevrouw X gaf in haar aangifte IB 2014 het verpachte onroerend goed aan als box 3-vermogen. In 2016 staakte de moeder het landbouwbedrijf en deden de ouders afstand van het pachtrecht. Naar aanleiding van een onderzoek naar de aangifte 2016 van de moeder constateerde de inspecteur dat de pachters in 2014 afstand hadden gedaan van hun pachtrechten, met voor de kinderen een aangroei van de waarde verpachte staat van de grond naar de vrije waarde tot gevolg. De inspecteur stelde dat het verpachte onroerend goed bij mevrouw X niet kwalificeerde als box 3-vermogen maar dat sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling (tbs) die volgens de inspecteur was aangevangen in 2007 en was geëindigd in 2014. De inspecteur legde een navorderingsaanslag IB 2014 op aan mevrouw X waarbij hij een resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking nam van € 788.716. Mevrouw X ging in beroep en stelde dat het nieuwe feit voor navordering ontbrak. Rechtbank Den Haag was dat met haar eens. De inspecteur ging in hoger beroep, maar Hof Den Haag verklaarde dat ongegrond. Volgens het Hof was in dit geval wél sprake van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling, ook al waren onderdelen van het geheel van rechtshandelingen op zichzelf beschouwd niet onzakelijk of ongebruikelijk en ook al had de Belastingdienst voor de schenkbelasting beslist dat geen sprake was van een onzakelijke grondtransactie. Het Hof vernietigde de navorderingsaanslag omdat de inspecteur een ambtelijk verzuim had begaan door destijds de gegevens van de grondtransactie niet op te nemen in het dossier van mevrouw X en daarmee een beoordeling van de kwalificatie van de grondtransactie bij haar achterwege te laten. De IB-inspecteur van de moeder had volgens het Hof al in 2009 moeten onderkennen dat het samenstel van rechtshandelingen tussen de ouders en de kinderen tot de vraag moest leiden of daarbij sprake was van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling door de kinderen aan de moeder. In dit geval hadden de stukken met betrekking tot de grondtransactie toen al aan de inspecteur ter beoordeling moeten worden doorgestuurd. Het niet-doorsturen daarvan kwam voor zijn rekening. In het geval de stukken met betrekking tot de grondtransactie in de loop van 2009 aan het dossier van mevrouw X zouden zijn toegevoegd, had de inspecteur onderkend dat de aangiften IB vanaf 2007 onjuist waren omdat geen pachtopbrengst als tbs-resultaat in box 1 was aangegeven. Dat gold dan ook voor latere jaren, waaronder 2014. Dat de inspecteur pas in 2017 op de hoogte raakte van de gedeeltelijke beëindiging van de pachtovereenkomst in 2014 was daarbij volgens het Hof niet van belang omdat de inspecteur in redelijkheid al aan de juistheid van de aangifte IB 2014 had behoren te twijfelen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.