Uit PGB betaalde verzorgende in dienstbetrekking bij ex-echtgenote

Datum: 3 mei 2021

Mevrouw X ontving sinds maart 2016 een persoonsgebonden budget (PGB) om zorg te kunnen inkopen. Zij was in november 2015 in Marokko getrouwd met de in 1973 geboren A met wie zij een kind had. Sinds 1 januari 2019 woonden mevrouw X en A niet meer samen en sinds begin 2020 waren zij gescheiden. A verleende sinds 2016 zorg aan mevrouw X en vanaf maart 2017 werd op verzoek van mevrouw X LB en premies ingehouden op de vergoeding die mevrouw X aan A betaalde. Mevrouw X stuurde de SVB begin 2019 een Zorgovereenkomst Wet langdurige zorg en een "Vragenlijst familieverhouding". De SVB vroeg vervolgens de inspecteur om aan de hand van deze documenten te beoordelen of A verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen en in het bijzonder of sprake was van een dienstbetrekking tussen mevrouw X en A. De inspecteur concludeerde dat geen sprake was van een gezagsverhouding en mevrouw X geen premies werknemersverzekeringen hoefde af te dragen. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Den Haag stelde haar in het gelijk en besliste dat er met ingang van de verstrekking van het PGB én de inhouding van loonheffingen door de SVB een dienstbetrekking had bestaan tussen mevrouw X en A en A daarom verplicht verzekerd was voor de werknemersverzekeringen. De inspecteur ging tevergeefs in hoger beroep. Hof Den Haag constateerde dat mevrouw X en A overeengekomen waren dat A na de verbreking van de samenleving op dezelfde voet zorg zou blijven verlenen aan mevrouw X voor vier of vijf dagen van acht uur per dag. Bovendien had mevrouw X verklaard dat zij A aanwijzingen kon geven en kon bepalen wanneer welke zorg aan haar zou worden verleend. Het Hof vond gelet op de aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden en ook rekening houdend met de verbreking van de samenleving tussen mevrouw X en A, aannemelijk dat mevrouw X bindende aanwijzingen en instructies kon geven over de wijze waarop A zijn werkzaamheden uitvoerde en controle op diens werkzaamheden kon uitoefenen. Het Hof besliste dat daarom sprake was van een gezagsverhouding en daarmee van een arbeidsovereenkomst in burgerrechtelijke zin. A moest daarom als verzekerde op grond van de werknemersverzekeringen worden aangemerkt.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.