Assurantieprovisie en frequentiekortingen scheepvaarts-CV’s onder tonnageregime van beherend vennoot

Datum: 30 april 2021

BV X was beherend vennoot in scheepvaartexploitant-CV Y en nam daarnaast deel in drie andere CV’s/scheepvaartondernemingen. Voor haar participaties in de CV’s sloot BV X verzekeringen af waarvoor zij provisies ontving. Ook ontving zij frequentiekortingen op de passageheffing voor gebruik van een bepaald kanaal waarvan de schepen van de CV’s vaak gebruik maakten. De inspecteur stelde zich bij het opleggen van de aanslagen Vpb 2009 tot en met 2011 op het standpunt dat BV X de provisies en frequentiekortingen afzonderlijk als onderdeel van haar belastbare winst moest aangeven en het tonnageregime hierop niet van toepassing was. BV X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland stelde BV X in het gelijk. De werkzaamheden van BV X waarop de provisies en frequentiekortingen zagen, hingen volgens de Rechtbank naar hun aard zozeer samen met de exploitatie van een schip dat deze tot dezelfde objectieve onderneming moesten worden gerekend. De inspecteur ging in hoger beroep, maar Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof verwierp de stelling van de inspecteur dat BV X de frequentiekortingen voor haarzelf had bedongen buiten de CV’s om. De CV’s exploiteerden alle een zeeschip en hadden vanwege het bevaren van het Noord-Oostzeekanaal per passage een heffing (tol) betaald. De door het veelvuldig gebruik van het kanaal uitbetaalde frequentiekorting kwam daarom toe aan de CV’s. BV X had de assurantieprovisie en frequentiekorting weliswaar rechtstreeks ontvangen, maar dat betekende nog niet dat deze bedragen niet toekwamen aan de CV’s. Volgens het Hof had BV X aannemelijk gemaakt dat deze haar volgens de afspraken met de vennoten van de CV’s toekwamen als een nadere vorm van winstverdeling waar alle betrokken vennoten mee akkoord waren gegaan, althans waarvan zij op de hoogte waren. Het Hof concludeerde dat zowel de assurantieprovisie als de frequentiekorting toekwamen aan de CV’s uit hoofde van de exploitatie van een schip bestemd voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee en dat deze bedragen door die CV’s aan BV X waren gelaten. Uit een arrest van de Hoge Raad van 7 juli 2017 leidde het Hof af dat de door BV X van de CV’s ontvangen assurantieprovisie en frequentiekorting binnen de eigen onderneming van BV X waren opgekomen, en daarom onder het tonnageregime van artikel 3.22 Wet IB 2001 vielen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.