Borgstelling niet als aandeelhouder maar als directie: voorziening mogelijk

Datum: 30 april 2021

Mevrouw X en haar echtgenoot Y waren directeur en enig aandeelhouders van BV B, die enig aandeelhouder was van BV A. Tussen de bank en BV A werden diverse kredietovereenkomsten gesloten. Het echtpaar stelde zich borg voor schulden van BV A. De borgtocht was aangegaan voor al wat aan de bank nu of te eniger tijd verschuldigd mocht zijn, uit welke hoofde ook, tot maximaal € 500.000 te vermeerderen met rente en kosten. In vervolg hierop werd op 19 december 2005 een overeenkomst gesloten voor de vergoeding van de op 28 oktober 2005 verstrekte borgstelling van 1%. In de periode 2006 tot en met 2010 werd het krediet meermaals aangepast. Ook werd de borgstellingsovereenkomst (meermaals) aangepast. BV A ging in 2013 failliet. De bank riep in juli 2013 de borgstelling in en vorderde € 750.000 plus rente en kosten. De echtelieden bestreden de borgstelling in een gerechtelijke procedure, maar verloren die. Na de uitspraak van de civiele rechter hadden zij twee regresvorderingen op BV A: één van € 750.000 uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst en één van € 595.000 in verband met de verkoop van het bedrijfspand. Door het faillissement van BV A waren de regresvorderingen waardeloos geworden. De inspecteur corrigeerde de aangiften IB 2012 van mevrouw X en de heer Y in verband met de door hen opgevoerde voorziening borgstelling van € 750.000 en met € 595.000 wegens geen zekerheidsstelling van het bedrijfspand. Rechtbank Gelderland was het daarmee eens, maar Hof Arnhem-Leeuwarden besliste op het hoger beroep van het echtpaar anders. Volgens het Hof had de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn geweest om eenzelfde zekerheidsstelling aan te gaan als het echtpaar onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Het Hof vond het aannemelijk dat de zekerheden als moreel commitment door het echtpaar als directie waren gegeven en dat feitelijk geen of een beperkt debiteurenrisico werd gelopen door de manier waarop de transacties werden gefinancierd en volgens strakke procedures werden uitgevoerd. Het Hof verklaarde het hoger beroep van het echtpaar gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.