Detachering IT-personeel belast met BTW, maar oproep aan inspecteur om menselijke maat met invordering van naheffing

Datum: 28 april 2021

X verrichtte in de vorm van een eenmanszaak werkzaamheden op het gebied van ICT en was hiervoor ondernemer voor de BTW. In 2014 en 2015 ontwikkelde hij voor ANBI-stichting A een landelijk automatiseringssysteem. De werkzaamheden werden uitgevoerd door drie medewerkers die een vluchtelingenachtergrond hadden. Zij verrichtten onder begeleiding van X in het kader van de stage voor hun MBO-opleiding de werkzaamheden. X betaalde die medewerkers loon en droeg voor hen de loonheffing af. X factureerde voor de medewerkers € 30 per arbeidsuur aan A, maar op de facturen vermeldde X geen BTW. Na een controle legde de inspecteur over 2014 een 2015 een naheffingsaanslag BTW van € 48.441 met € 7.006 aan belastingrente op aan X over de aan A verrichte werkzaamheden. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland besliste eerst dat de inspecteur geen formele regels had geschonden bij het opleggen van de naheffingsaanslag. De inspecteur mocht binnen de naheffingstermijn van vijf jaar na het einde van 2014 een naheffingsaanslag BTW opleggen. Anders dan bij navorderingsaanslagen hoefde de inspecteur bij het naheffen van BTW niet over een nieuw feit te beschikken. Inhoudelijk besliste de Rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, omdat (1) de aan A verrichte diensten als BTW-ondernemer waren verricht en (2) die diensten niet waren vrijgesteld van BTW. De Rechtbank verwierp de stelling van X dat niet hij, maar A als materiële werkgever van de medewerkers moest worden aangemerkt en hij geen detacherings- of uitzenddiensten had verricht waarover hij BTW zou zijn verschuldigd. Volgens de Rechtbank waren de drie medewerkers als werknemers in dienst bij X en was X als ondernemer met de A overeengekomen om deze werknemers tegen een vaste vergoeding per arbeidsuur aan A ter beschikking te stellen. Met deze terbeschikkingstelling had X volgens de Rechtbank een voor de BTW belaste prestatie verricht. De Rechtbank verwierp ook het beroep van X op het vertrouwensbeginsel. De door X overgelegde stukken hadden alleen betrekking op mededelingen over (het afboeken van) kosten en betalingen en bevatten geen aanwijzingen dat de inspecteur op onderdelen de aangiften BTW van X zou hebben gecontroleerd. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. De Rechtbank voelde echter de behoefte in dit specifieke geval nog het volgende onder de aandacht brengen. De Rechtbank was er op grond van de gedingstukken en de behandeling van overtuigd geraakt dat X mensen met een vluchtelingenachtergrond en een achterstand op de arbeidsmarkt begeleidde naar een vaste baan. Vanwege de vacaturestop bij A leek tijdelijke detachering via X de beste manier om dit doel te bereiken. Hij had met betrekking tot de detachering op het punt van de loonheffing volledig aan zijn fiscale verplichtingen voldaan, maar hij had nagelaten ter zake van de detachering BTW in rekening te brengen aan A. De onderhavige naheffingsaanslag was daarvan het gevolg geweest. Doordat X de nageheven BTW niet alsnog bij A in rekening had kunnen brengen of anderszins op A had kunnen verhalen, was het bedrag van de BTW in strijd met het systeem van de Wet OB feitelijk bij X komen te liggen. X had op de zitting aangegeven dat betaling van de naheffingsaanslag voor hem nagenoeg onmogelijk was, gezien zijn inkomens- en vermogenspositie: hij was inmiddels 73 jaar met een gering pensioen en zijn gezondheidssituatie was door alle stress rondom de naheffingsaanslag verslechterd. De Rechtbank gaf de inspecteur "mede in het kader van de huidige maatschappelijke discussie over de "menselijke maat" met klem in overweging om na te gaan of eventueel alsnog in de heffings- dan wel in de invorderingssfeer een tegemoetkoming kon worden getroffen" die in de situatie van X passend zou zijn.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.