In hoger beroep overgelegde facturen geen bewijs extra gezinshulp

Datum: 8 april 2021

Mevrouw X hield in haar aangifte IB 2014 rekening met € 15.864 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten en € 5.677 aan scholingsuitgaven. De aanslag werd overeenkomstig de aangifte vastgesteld. In haar aangifte IB 2015 claimde zij € 14.638 aan specifieke zorgkosten en € 9.840 aan scholingsuitgaven. De inspecteur stelde hierover vragen. Naar aanleiding van de door mevrouw X overgelegde stukken legde de inspecteur over 2014 een navorderingsaanslag op waarbij de aftrek voor specifieke zorgkosten werd geweigerd en de aftrek voor scholingsuitgaven werd beperkt tot € 4.351. Voor 2015 schrapte de inspecteur alle zorgkosten en scholingsuitgaven. Mevrouw X ging in beroep en stelde dat zij extra zorgkosten had in verband met een na een ongeluk ontstaan hersenletsel. Hof Den Haag was het met Rechtbank Den Haag eens dat mevrouw X voor 2014 noch voor 2015 recht had op een hogere aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten en scholingsuitgaven dan de inspecteur had toegestaan. Zij had in hoger beroep niets aangevoerd of aan bewijs overgelegd dat een andere conclusie rechtvaardigde. Weliswaar had zij in hoger beroep maandfacturen van een stichting voor extra gezinshulp voor 2015 overgelegd, maar het Hof kende daaraan geen bewijskracht toe. Die maandfacturen bevatten verschillende onvolkomenheden; zo werd een adres vermeld waar mevrouw X nooit had gewoond en een adres waar zij in 2015 nog niet woonde. Ook was met die maandfacturen niet in overeenstemming dat diezelfde hulp vervolgens door middel van een factuur van 30 december 2017 nogmaals in rekening was gebracht. Mevrouw X had daarvoor geen enkele verklaring kunnen geven. Het Hof verklaarde het hoger beroep van mevrouw X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.