Luxleaks geen reden voor verlengd navorderen Belgische factoring fees

Datum: 7 april 2021

BV X maakte deel uit van een internationaal concern. Zij was de moedermaatschappij van een omvangrijke Nederlandse fiscale eenheid voor de Vpb die zicht bezighield met houdster- en financieringsactiviteiten en de productie en distributie van tabaksartikelen. De in Brussel gevestigde vof C behoorde tot het concern en verleende factoring-diensten aan het concern, waaronder aan twee met BV X gevoegde dochter-BV’s. BV X betaalde de fees aan C en bracht die aan de dochter-BV’s in rekening. BV X bracht in haar aangiften Vpb over de jaren 2004 tot en met 2007 ter zake van de dienstverlening van C "factoring fees" ten laste van haar resultaat. De aanslagen Vpb waren conform de aangiften opgelegd. In 2015 startte de inspecteur een onderzoek naar de zakelijkheid van de door de dochter-BV’s van BV X betaalde fees. Aanleiding voor het onderzoek waren publicaties in de media, waaronder artikelen in een aantal Belgische dagbladen over "LuxLeaks" op 6 november 2014. De inspecteur legde met de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR navorderingsaanslagen op over de factoring fees over de jaren 2004 tot en met 2007. BV X ging in beroep en stelde dat er geen plaats was voor de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar omdat de gecorrigeerde factoring fees niet in het buitenland waren opgekomen. Rechtbank Noord-Holland leidde uit de wetsgeschiedenis van artikel 16, lid 4, AWR af dat de reden voor de invoering van de verlengde navorderingstermijn vooral lag in het gebrek aan toereikende controlemogelijkheden van de Belastingdienst met betrekking tot inkomens- of vermogensbestanddelen die in het buitenland opkwamen of werden gehouden. In dit geval was sprake van een correctie van vanuit Nederland betaalde kosten. De aan C betaalde factoring fees waren in Nederland in rekening gebracht en vanuit Nederland betaald en waren steeds vatbaar voor onderzoek door de inspecteur, omdat de daarvoor benodigde gegevens beschikbaar waren in de Nederlandse administratie van BV X (haar twee dochter-BV’s). Artikel 16, lid 4, AWR was volgens de Rechtbank op een aldus betaalde en in de administratie verantwoord bestanddeel naar zijn strekking niet van toepassing. Er was volgens de Rechtbank geen sprake van in het buitenland, maar van in Nederland opgekomen winstbestanddelen. De in Nederland aanwezige administratie bevatte volgens de Rechtbank steeds voldoende aanknopingspunten om de in aftrek gebrachte kosten te beoordelen en daarover zo nodig nadere vragen te stellen. De Rechtbank verklaarde de beroepen van BV X gegrond en vernietigde de navorderingsaanslagen, boetebeschikkingen en de heffingsrentebeschikkingen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.