Betaling aan werknemersstichting voor koop aandelen moedermaatschappij aftrekbaar

Datum: 7 april 2021

BV X kwam in 2015 met haar werknemers in een CAO overeen dat zij zich zou inspannen om een aandelenprogramma tot stand te laten komen. Op basis hiervan zouden aandelen in de moedermaatschappij (A) van BV X met een bepaalde waarde aan de werknemersstichting (B) van BV X worden toegekend. Uiteindelijk had A eigen aandelen overgedragen aan B. BV X betaalde daarvoor een vergoeding aan A. Daarnaast betaalde BV X een geldbedrag aan B met het doel om op de beurs aandelen in A te kopen. De inspecteur stelde bij de aanslagregeling Vpb 2016 dat de betaling aan A en aan B op grond van de aftrekbeperking van artikel 10, lid 1, letter j, Wet Vpb niet als kosten in aftrek mochten worden gebracht. BV X ging in beroep. Rechtbank Noord-Holland stelde BV X deels in het gelijk. Volgens de Rechtbank bleek uit de wetsgeschiedenis dat de aftrekbeperking erop was gericht aftrek te voorkomen in gevallen waarin de in artikel 10, lid 1, letter j, Wet Vpb omschreven rechtshandelingen niet ertoe leidden dat de vennootschap verarmde, en sprake was van aandeelhouderslasten in plaats van ondernemingskosten. Hiervan was bijvoorbeeld sprake als de vennootschap nieuwe aandelen uitgaf zonder daarbij agio te bedingen. BV X had niet de directe beslissingsmacht om aandelen in A aan haar werknemers toe te kennen of uit te reiken en zij kon ook niet zelf aandelen in A (hetzij via uitgifte, hetzij via aankoop op de beurs) verwerven met de bedoeling die aan (de stichting B ten behoeve van) haar werknemers ter beschikking te stellen. Verder was niet in geschil dat sprake was van zakelijke overwegingen zowel met betrekking tot de betaling door BV X van een geldsom aan A in verband met de uitgifte van de aandelen door A, als met betrekking tot de betaling door BV X van een geldsom aan B ter verwerving van aandelen van A op de beurs de wijze waarop BV X invulling had gegeven aan het aandelenprogramma voor haar werknemers, (in overwegende mate). Er was volgens de Rechtbank geen sprake van (in overwegende mate) aandeelhoudersmotieven (zoals de wens om verwatering van de aandelenbelangen in A te voorkomen), zodat de betalingen in beginsel aftrekbaar waren, tenzij de aftrekbeperking zich daartegen verzette. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de betalingen aan A rechtstreeks verband hielden met en een vergoeding waren voor de toekenning van aandelen door A aan B. Door het uitreiken van deze aandelen aan B was het aantal in de markt staande vrij verhandelbare aandelen in A met het aan A betaalde bedrag toegenomen en was de deelgerechtigdheid van aandeelhouders tot het vermogen van dat verbonden lichaam, over meer aandelen verdeeld. Deze rechtshandelingen moesten volgens de Rechtbank voor de toepassing van artikel 10, lid 1, letter j, Wet Vpb worden gekwalificeerd als een uitreiking of toekenning van aandelen A aan B door BV X. Er was materieel geen verschil tussen de in dit geval gevolgde route en de situatie waarin BV X de betreffende aandelen zou hebben gekocht van A en vervolgens zou hebben uitgereikt of toegekend aan B. Het gelijk was op dit punt aan de inspecteur. Dat gold volgens de Rechtbank niet voor de betaling aan B. Ter zake van deze betaling waren geen aandelen in het kapitaal van BV X of een met haar verbonden lichaam toegekend of uitgereikt door of namens BV X en de door BV X gedane betaling aan B om daarmee aandelen A te verwerven was niet in overwegende mate ingegeven door aandeelhoudersmotieven, zodat de betaling in beginsel aftrekbaar was. Omdat de inspecteur zich op het standpunt had gesteld dat de aftrekbeperking van toepassing was, besliste de Rechtbank op de stelling van de inspecteur dat het betalen van geld door BV X aan een derde om die derde in staat te stellen aandelen in BV X te laten kopen, op één lijn moest worden gesteld met het uitreiken van aandelen door BV X. Het door de inspecteur aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 25 januari bracht volgens de Rechtbank niet mee dat de betaling die BV X had gedaan onder de aftrekbeperking van artikel 10, lid 1, letter j, Wet Vpb viel. Daarvoor was in de eerste plaats van belang dat het arrest betrekking had op de vraag of een betaling door de vennootschap tot de totaalwinst van de vennootschap behoorde, wat in het geval van BV X niet in geschil was. Verder vond de Rechtbank dat de situatie uit het arrest – waarin sprake was van een kasrondje – onder het huidige recht onder de reikwijdte van artikel 10, lid 1, letter j, Wet Vpb zou vallen en in zoverre geen "uitbreiding" was van de in de aftrekbeperking genoemde gevallen. Verder was het arrest ook op andere relevante onderdelen niet te vergelijken met de situatie van BV X. De Rechtbank besliste dat de betaling aan B die daarmee aandelen op de beurs in A had verworven, niet moest worden gelijkgesteld met het toekennen van aandelen, een recht op aandelen of daarmee gelijk te stellen rechten in een verbonden lichaam door BV X. De betaling aan B kwam volgens de Rechtbank wel voor aftrek in aanmerking. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.