Per diem van Ierse werkgever van piloot belaste kostenvergoeding

Datum: 6 april 2021

De in Nederland wonende piloot X was sinds september 2015 in dienst bij Parc Aviation Ltd in Ierland. Zijn thuisbasis was de luchthaven van Hamburg in Duitsland. Parc Aviation Ltd was niet inhoudingsplichtig voor de Nederlandse loonheffingen. X ontving een zogenoemde "per diem allowance" (per diem) van € 4,60 per uur dat hij niet op de luchthaven in Duitsland was. Deze vaste vergoeding was vastgelegd in een appendix bij zijn arbeidsovereenkomst. In 2015 ontving X in totaal € 2.772 als per diem. De per diem stond niet op zijn jaaropgave en X gaf hem ook niet aan in zijn aangifte IB 2015. De inspecteur rekende de per diem tot het loon. Volgens de inspecteur was niet voldaan aan de voorwaarde voor een onbelaste kostenvergoeding, aangezien niet uiterlijk bij het uitkeren van de per diem door de werkgever was gespecificeerd waarvoor deze diende. Rechtbank Den Haag besliste echter dat X aannemelijk had gemaakt dat de per diem in voldoende mate was gespecificeerd om als aangewezen, en daarmee onbelaste, vergoeding te worden aangemerkt. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond. De inspecteur ging in hoger beroep. Op de zitting bij Hof Den Haag kwamen X en de inspecteur tot overeenstemming dat de aan per diem (uitsluitend) zag op de kosten van eten en drinken tijdens verblijf voor werk buiten de basis. De per diem voldeed volgens X en de inspecteur aan de in artikel 31, lid 1, onderdeel f, Wet LB gestelde voorwaarde dat deze vooraf door de werkgever was aangewezen en voldoende gespecificeerd was. De inspecteur stelde vervolgens dat de per diem niettemin niet als onbelaste kostenvergoeding kon worden aangemerkt, omdat niet voldaan was aan de voorwaarde dat aan de vergoedingen een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag lag (art. 31a, lid 3, Wet LB). Het Hof was het daarmee eens. De werkgever van X had geen onderzoek gedaan naar de werkelijke kosten die aan de per diem ten grondslag lagen. X had volgens het Hof met een door hem overgelegd overzicht getiteld "Worldwide Subsistence Rates (effective from 1 january 2010)" dat betrekking had op steden waarop zijn werkgever vloog, niet voldaan aan de voorwaarde dat aan de per diem een onderzoek naar de werkelijk gemaakte kosten ten grondslag lag. Het overzicht was qua aard van de kosten en tijdspanne te algemeen en bevatte bovendien kosten die niet tot de per diem van de werkgever behoorden, zoals hotelkosten. Op grond van dit overzicht kon niet worden vastgesteld welke kosten aan X werden vergoed en of de hoogte van de vergoeding gebruikelijk was. Bij gebrek aan dit onderzoek was de gerichte vrijstelling op grond van artikel 31a, lid 3, Wet LB niet van toepassing. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.