Begunstigende “lijn” inzake belastingrente niet ingetrokken

Datum: 6 april 2021

BV X kreeg op 30 januari 2016 een voorlopige aanslag (VA) Vpb 2016 naar een belastbaar bedrag van € 1.029.188 en een te betalen bedrag van € 247.296 en betaalde dit bedrag volledig. Naar aanleiding van haar op 9 oktober 2017 ingediende aangifte Vpb 2016 naar een belastbaar bedrag van nihil, volgde op 4 november 2017 een tweede VA naar een te betalen bedrag van nihil. Het op de eerste VA betaalde bedrag werd aan BV X terugbetaald. Op 6 november 2017 diende BV X een verbeterde aangifte over 2016 in naar een belastbaar bedrag van € 854.513. Hierop volgde op 2 december 2017 een derde VA naar een te betalen bedrag van € 203.627 met daarbij € 8.733 aan belastingrente. BV X ging in beroep tegen de belastingrente. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het met haar eens dat de belastingrente moest worden verminderd op grond van beleid van de Belastingdienst waaraan BV X het vertrouwen mocht ontlenen dat haar geen belastingrente in rekening zou worden gebracht over de periode waarin de Belastingdienst de beschikking had over de gelden die BV X over 2016 aan Vpb was verschuldigd. De brief van de staatssecretaris van 1 maart 2017 waarin een passage uit het verslag van 23 november 2015 van de Landelijke vakgroep Formeel recht openbaar was gemaakt, moest volgens de Rechtbank niet worden gezien als louter een voorbereidend standpunt om te komen tot landelijk beleid, maar was begunstigend beleid in de zin van artikel 1:3, lid 4, Awb. Daarin werd namelijk een algemene regel (een "lijn") bepaald over de afweging van belang bij het gebruik van de bevoegdheid van de inspecteur om belastingrente in rekening te brengen. De Rechtbank verwierp de stelling van de inspecteur dat het beleid bij de beantwoording van de Kamervragen door de staatssecretaris op 7 juni 2017 was ingetrokken. In deze brief werd het bestaan van beleid ontkend, maar volgens de Rechtbank was er wél beleid, zodat de ontkenning door de staatssecretaris niet tot de conclusie kon leiden dat het beleid was ingetrokken. De Rechtbank besliste dat de belastingrente op grond van begunstigend beleid van de Belastingdienst moest worden verminderd met de rente over de periode waarin de Belastingdienst de beschikking had over het betaalde bedrag en berekende het te betalen bedrag aan belastingrente op € 3.122. De inspecteur ging in hoger beroep, maar Hof Den Bosch heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Volgens het Hof had de Rechtbank terecht beslist dat de "lijn" moest worden aangemerkt als begunstigend beleid zoals bedoeld in artikel 1:3, lid 4, Awb dat behoorlijk was bekendgemaakt bij de brief van 1 maart 2017 van de staatssecretaris van Financiën. Aan deze beleidsregel kon BV X het vertrouwen ontlenen dat haar geen belastingrente in rekening zou worden gebracht over de periode waarin door haar aan de Belastingdienst betaalde gelden op de rekening van de Belastingdienst hadden gestaan. Deze beleidsregel was niet ingetrokken met de beantwoording van Kamervragen van 7 juni 2017. Daarin werd alleen gerefereerd aan de vergoeding van belastingrente en daarin kon volgens het Hof geen duidelijke beëindiging van de beleidsregel worden gelezen. Het Hof besliste dat er geen beëindiging was van de beleidsregel voorafgaand aan de dag waarop de derde VA was opgelegd, dus op 2 december 2017, waarbij de belastingrentebeschikking was gegeven.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.