Hospicewerk niet verricht door vastgoedstichting: geen BTW-aftrek

Datum: 2 april 2021

Stichting B bood begeleiding aan terminale patiënten. Voor de fondswerving was in 2013 stichting C opgericht en voor de realisatie en exploitatie van een hospice was in datzelfde jaar stichting X opgericht die eigenaar was van het nieuwgebouwde hospice. De verpleegkundige verzorging was in handen van stichting E. X bracht in haar BTW-aangifte over het vierde kwartaal 2015 € 4.435 BTW in aftrek en gaf € 380 (6% over de opbrengsten) verschuldigde BTW aan. De inspecteur legde X een naheffingsaanslag BTW op over het vierde kwartaal 2015 van € 4.405 (€ 4.435 -/- € 380). X ging in beroep en stelde dat zij voor de BTW een zelfstandige prestatie verrichtte jegens de terminale patiënten, die was te kwalificeren als het verstrekken van logies binnen het kader van het hotel-, pension- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf hielden (Tabel I, post b11, Wet OB), maar volgens de inspecteur verrichtte X geen prestaties onder bezwarende titel. Rechtbank Gelderland was het met de inspecteur eens dat X niet aannemelijk had gemaakt dat zij prestaties had verricht aan de gasten van het hospice of aan hun familie, maar dat alles erop wees dat B deze prestaties had verricht. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. X ging in hoger beroep, maar ook Hof Arnhem-Leeuwarden stelde haar in het ongelijk. Het Hof besliste dat X niet aannemelijk had gemaakt dat zij een belastbare prestatie aan de gasten en hun familie had verricht. Uit de statuten van X en B bleek dat X het hospice in eigendom had, beheerde en exploiteerde voor B en dat het B was die prestaties verrichtte aan de gasten en hun familie. Zowel de website van het hospice als de flyer presenteerde B als degene die de prestaties aan de gasten en hun familie verrichtte. De flyer vermeldde expliciet dat het hospice onderdeel was van B. X werd op de website en in de flyer helemaal niet genoemd. Ook volgde uit een tussen B en stichting E gesloten overeenkomst dat het B was die de huisvesting aan de terminale patiënten bood. Het waren volgens het Hof de vrijwilligers van B die kookten, schoonmaakten, bedden opmaakten, eten en drinken inkochten en de zorg coördineerden. Daaraan deed niet af dat volgens X en B hun statuten en de overeenkomsten met de gasten, onjuist en ondeugdelijk waren. Verder was het volgens het Hof onvoldoende dat aan gasten facturen op naam van X waren gestuurd met daarop het bankrekeningnummer van X. Volgens het Hof deed dit er niet aan af dat het B was die de prestaties tegenover de gasten en de familie van de gasten had verricht. X had daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij recht had op aftrek van voorbelasting.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.