Stichting na afsplitsing directe zorgwerkzaamheden geen ANBI meer

Datum: 5 maart 2021

Stichting X verrichtte na een juridische fusie tussen twee stichtingen die beide de ANBI-status hadden, alle activiteiten van deze twee stichtingen op het gebied van de gezondheidszorg en ouderenzorg. X werd vanaf 1 januari 2017 aangemerkt als ANBI. Met ingang van 1 mei 2017 bracht X in het kader van een herstructurering haar operationele activiteiten onder in drie BV’s waarvan zij enig aandeelhouder werd. De BV’s voerden de feitelijke zorgtaken uit. X hield zich vanaf 1 mei 2017 alleen nog bezig met het beleid van de BV’s en het financieel- en personeelsmanagement, directievoering en overleg met zorgautoriteiten en anderen op de zorgmarkt. Nadat de inspecteur op de hoogte was gesteld van de herstructurering trok hij de ANBI-status van X met ingang van 1 mei 2017 in. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens. Er was volgens de Rechtbank geen sprake van het door X rechtstreeks dienen van het algemeen nut in de zin van artikel 5b, lid 3, onderdeel e en f, AWR. X ging in hoger beroep, maar Hof Den Haag besliste dat X niet aannemelijk had gemaakt dat zij met haar beheerswerkzaamheden het algemeen belang primair en rechtstreeks diende. De wet voorzag niet in de mogelijkheid om de aan de BV’s toebedeelde werkzaamheden die tezamen het algemeen belang primair en rechtstreeks zouden dienen als deze door X werden verricht, samen met de beheerswerkzaamheden van X als geheel in aanmerking te nemen voor de beantwoording van de vraag of X als ANBI kon worden aangemerkt. De door X voorgestane "doorkijkbenadering" was volgens het Hof binnen het wettelijke kader van artikel 5b, lid 3, onderdeel e en f, AWR niet mogelijk. X kon niet als een ANBI worden aangemerkt.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.