Oplopen r/c-schuld aan pensioen-BV uitdeling aan DGA

Datum: 5 maart 2021

Pensioen-BV X leende in 2004 en 2005 geld aan haar directeur-grootaandeelhouder (DGA) Y voor de verbouwing van zijn eigen woning. Op 31 december 2014 bedroeg het saldo van de lening € 658.248. Op de eigen woning zat een hypothecaire lening van de Rabobank aan Y van € 500.000. BV X had daarnaast een rekening-courantvordering (r/c) op Y van € 325.049 die in 2014 was opgelopen tot € 637.292. Samen met de lening voor de eigen woning had BV X per 31 december 2014 in totaal € 1.295.540 te vorderen van Y. De winstreserve van BV X bedroeg volgens de jaarrekening per 31 december 2014 € 1.215.406. Naar aanleiding van een controle merkte de inspecteur de toename van de r/c-schuld in 2014 aan als een netto-dividenduitdeling aan Y en zijn echtgenote die voor 10% aandeelhouder was in BV X. BV X kreeg een naheffingsaanslag dividendbelasting van € 113.979/85 x 15 = € 20.113. Y kreeg over 2014 een navorderingsaanslag IB voor 50% van de gestelde als winstuitdeling. BV X en Y gingen in beroep en stelden dat geen sprake was van een onttrekking omdat de € 113.979 vrijwel direct kon worden terugbetaald. Rechtbank Den Haag besliste dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de toename van de r/c-vordering voor € 68.979 (€ 113.979 -/- € 45.000) niet volledig kon of zou worden afgelost, omdat Y en zijn echtgenote niet over voldoende vermogen en inkomsten beschikten om uit andere middelen dan het aandelenbezit in BV X de aflossing van dit gedeelte van de lening te voldoen. Dat gold niet voor de € 45.000. Dit bedrag had betrekking op een perceel grond dat Y ultimo 2014 nog bezat, zodat dat deel van de schuld was gedekt. De Rechtbank verminderde de naheffingsaanslag dividendbelasting van BV X tot € 12.172 (€ 68.979/85 x 15) en verminderde het inkomen uit aanmerkelijk belang van Y tot € 40.575 (50% van (€ 68.979 x 100/85). De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Den Haag verklaarde het hoger beroep van de inspecteur gegrond. Volgens het Hof moest voor de vraag voor welk bedrag van de toename van de r/c-schuld sprake was van een uitdeling, worden beoordeeld in hoeverre ten aanzien van de door Y in 2014 opgenomen gelden ten tijde van de bijschrijvingen op de r/c-lening duidelijk was dat deze niet of niet volledig door Y zouden kunnen worden terugbetaald. Anders dan de Rechtbank had beslist, was daarvoor de hele vermogenspositie van Y en zijn echtgenote van belang en dus ook de totale schuld van Y aan BV X. De grond speelde daarbij geen andere rol dan de overige vermogensbestanddelen van Y omdat er met betrekking tot de grond geen hypotheekrecht was gevestigd of andere zekerheden waren gesteld. Het Hof besliste dat de aflossingscapaciteit van Y en diens echtgenote ten tijde van de bijschrijvingen op de r/c-lening ontoereikend was om het bedrag van € 113.979 waarmee de r/c-schuld in 2014 was toegenomen, te kunnen aflossen. Het Hof leidde uit een arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004 af dat ook geen rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid de schuld te verrekenen met een toekomstige dividenduitkering door BV X of met een opbrengst van een eventuele vervreemding van de aandelen in BV X. De inspecteur had volgens het Hof aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van de bijschrijvingen in 2014 op de r/c-lening van in totaal € 113.979 duidelijk was dat die bedragen niet aan BV X zouden kunnen worden terugbetaald. Dat bedrag had het vermogen van BV X daarom definitief verlaten en moest worden aangemerkt als een winstuitdeling.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.