Contanten onder strafvorderlijk beslag toch belast in box 3

Datum: 4 maart 2021

X gaf in zijn IB-aangiften over 2013 en 2014 een inkomen aan van nihil. De aanslagen werden conform de aangiften opgelegd, maar de inspecteur legde navorderingsaanslagen op toen hij erachter kwam dat de Duitse Douane bij een controle langs de snelweg in 2012 contanten van X in beslag had genomen. Daarbij ging de inspecteur uit van een box 1-inkomen van € 30.000 en rekende hij € 120.000 tot de rendementsgrondslag. Dat was het in beslag genomen bedrag dat in de vorm van 240 biljetten van € 500 in twee bundels omwikkeld met vershoudfolie in de onderbroek van X was genaaid en waarvoor hij later door de strafkamer van Rechtbank Zeeland-West-Brabant was veroordeeld voor witwassen. De Rechtbank had het bedrag verbeurd verklaard, maar de strafrechter had in het hoger beroep teruggave gelast van het geldbedrag aan X. X ging in beroep en stelde dat het box 1-inkomen te hoog was vastgesteld en het box 3-inkomen nihil bedroeg omdat hij in 2013 en 2014 niet de beschikking had over de in beslag genomen contanten. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was dat niet met X eens. De Rechtbank stelde voorop dat X niet de vereiste aangifte had gedaan en de bewijslast daarom moest worden omgekeerd en verzwaard. X had volgens de Rechtbank niet overtuigend aangetoond dat de navorderingsaanslagen te hoog waren. De schatting van het box 1-inkomen van € 30.000 per jaar was niet willekeurig. Het beslag van de contanten betrof volgens de Rechtbank een beslag met het oog op verbeurdverklaring ex artikel 94, lid 2, Sv en verschilde daarmee van een conservatoir beslag waarover de Hoge Raad in zijn arrest van 14 november 2008 had beslist in het kader van vermogensbelasting. De Rechtbank zag echter weinig goede argumenten om de invloed van een civielrechtelijk conservatoir beslag voor de heffing in box 3 anders te beoordelen dan een conservatoir strafvorderlijk beslag ex artikel 94a Sv omdat het beslag met het oog op verbeurdverklaring ex artikel 94, lid 2, Sv ook een conservatoir karakter had. Met de vermogensrendementsheffing werd, net als met de vermogensbelasting in het verleden, beoogd vermogensbestanddelen naar hun objectieve waarde in de heffing te betrekken. Verder had de rendementsheffing een forfaitair karakter waarbij genot van vermogen werd verondersteld. De objectieve waarde van de contanten was niet minder dan de nominale waarde. Ondanks het beslag was X eigenaar van die contanten. Dat hij feitelijk niet over de contanten had kunnen beschikken tijdens dat beslag, liet onverlet dat de contanten deel van zijn vermogen waren blijven uitmaken. De Rechtbank zag geen aanleiding om aan de contanten wegens het beslag een lagere waarde in het economische verkeer toe te kennen. Het beslag hield, hoezeer het ook op de contanten had gerust, vooral verband met de persoon van X en de hem verweten gedragingen en niet met de objectieve waarde van de contanten.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.