Grootschalig karakter BTW-fraude ten onrechte meegewogen in strafmaat

Datum: 3 maart 2021

X was voorzitter van goede doelenstichting Y. Hij werd als feitelijk leidinggever van Y strafrechtelijk vervolgd omdat hij BTW had teruggevraagd op inkopen die niet hadden plaatsgevonden of waarvan geen facturen waren, waardoor een belastingnadeel van € 257.848 was geleden. De strafkamer van Rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeelde X tot een gevangenisstraf van 9 maanden, maar Hof Den Bosch verhoogde de celstraf na het hoger beroep van X naar 12 maanden. X ging in cassatie en stelde dat het Hof bij de straftoemeting ten onrechte rekening had gehouden met de aangiften over 2005 tot en met 2010, die waren namelijk niet in de tenlastelegging opgenomen en ook niet besproken op de terechtzitting. De Hoge Raad herhaalde de in zijn arrest van 19 mei 2020 geformuleerde voorwaarden waaronder de rechter bij de strafoplegging rekening mocht houden met een niet-tenlastegelegd feit. In die procedure had de Hoge Raad beslist dat in zaken waarin het in het bijzonder ging om verdenking van grootschalige fiscale fraude, dat grootschalige karakter van het delict een voor de straftoemeting relevante omstandigheid kon zijn, ook al volstond de tenlastelegging met de beschrijving van een beperkt aantal strafbare feiten. Dat grootschalige karakter moest op grond van het verhandelde op de terechtzitting aannemelijk zijn geworden. Het Hof had volgens de Hoge Raad zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd dat de niet in de tenlastelegging en de bewezenverklaring genoemde 39 BTW-aangiften konden worden beschouwd als omstandigheden waaronder de vijf wél in de bewezenverklaring genoemde onjuiste BTW-aangiften waren begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter bleek van de bewezen fiscale delicten. Daarbij vond de Hoge Raad van belang dat uit het proces-verbaal van de zitting niet bleek dat die niet tenlastegelegde BTW-aangiften (opzettelijk) onjuist waren gedaan en ook niet dat X aan het (opzettelijk) doen van die aangiften feitelijk leiding had gegeven. De beslissing van het Hof dat de niet in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde belastingaangiften een voor de straftoemeting relevante omstandigheid waren, was daarom niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigde de Hofuitspraak, maar alleen met betrekking tot de strafoplegging en wees de zaak terug naar Hof Den Bosch.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.