Goedkoopmansgebruik verhinderde afwaardering van vordering op DGA

Datum: 25 februari 2021

BV X had twee vorderingen op haar directeur-grootaandeelhouder Y. Eén vordering hield verband met de financiering van grond en een woning en bedroeg per 31 december 2013 € 1.829.626. De andere betrof een vordering in rekening-courant (r/c) van € 2.036.937 per 31 december 2013. In haar aangifte Vpb 2014 waardeerde BV X de totale vordering van € 3.866.563 op Y af. De inspecteur weigerde dit. BV X ging in beroep en stelde dat Y niet in staat was de lening af te lossen en zij niet over liquiditeiten beschikte om een dividenduitkering te kunnen doen. Hof Den Haag besliste echter net als Rechtbank Den Haag dat BV X niet aannemelijk had gemaakt dat de inkomens- en vermogenspositie van Y ultimo 2014 zodanig was dat er onvoldoende mogelijkheden bestonden om tot het (geleidelijk) aflossen of incasseren van de vorderingen over te gaan. Het Hof nam daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat Y zich, gelet op de winstreserve van BV X van € 5,1 mln ultimo 2013 dividenden kon laten uitkeren die toereikend zouden zijn om over te gaan tot (geleidelijke) aflossing van de leningen, zo nodig door verrekening met de dividendvorderingen. Het Hof verwierp de stelling van BV X dat het haar aan liquide middelen ontbrak om de ter zake van dergelijke dividenden verschuldigde belasting te kunnen voldoen, maar zelfs als BV X onvoldoende liquide middelen had, dan was het inkomen van Y volgens het Hof niet zo gering dat de vorderingen op Y gedeeltelijk onvolwaardig waren. Goed-koopmansgebruik stond BV X dus niet toe om in 2014 ter zake van haar vorderingen op Y een verlies in aanmerking te nemen wegens oninbaarheid daarvan. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.