E-mails participant scheepvaart-CV niet onder (informeel)verschoningsrecht

Datum: 19 februari 2021

In 2011 nam BV X middels BV G en haar dochtermaatschappij BV H als commanditaire vennoot deel in scheepvaart-CV I. BV X wilde zo gebruik maken van de tussen 2009 en 2011 geldende willekeurige afschrijvingsfaciliteit met betrekking tot de investering in zeeschip F. Vanaf de aanslagregeling Vpb 2011 stelde de inspecteur dat BV G en BV H niet in een f.e. voor de Vpb met BV X konden worden gevoegd, omdat BV X niet de (volledige) economische eigendom zou hebben van de aandelen van BV G, en BV X bovendien niet voldeed aan alle eisen voor willekeurige afschrijving. Met betrekking tot de aangifte Vpb 2011 tot en met 2015 nam de inspecteur informatiebeschikkingen omdat BV X volgens hem niet alle gevraagde informatie, documentatie, correspondentie en e-mailverkeer met betrekking tot de investering en desinvestering in F zou hebben verstrekt. BV X ging in beroep en stelde dat de informatiebeschikkingen belang misten omdat zij al de bewijslast had ten aanzien van het kunnen vormen van een f.e. en de door haar toegepaste willekeurige afschrijving. Voor zover zij niet had voldaan aan de informatieplicht was dat volgens BV X terecht vanwege het (informele) verschoningsrecht dat op deze informatie van toepassing was. Rechtbank Noord-Holland besliste dat de inspecteur wél belang bij de informatiebeschikkingen omdat de gevraagde informatie over de economische eigendom van de aandelen BV G essentieel was voor de beoordeling of een f.e. tot stand kon komen of in stand kon blijven, en of BV X het economisch belang bij F niet geheel had afgestaan aan een derde. Deze feiten waren van doorslaggevend belang voor op het juiste bedrag kunnen vaststellen van het belastbaar bedrag van BV X. Als BV X weigerde deze vragen in de informatiebeschikkingen te beantwoorden, was volgens de Rechtbank omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd. Bij de beoordeling van de vraag of de informatiebeschikkingen in strijd met het evenredigheidsbeginsel waren, nam de Rechtbank als uitgangspunt dat het enkele feit dat bij andere scheepvaartstructuren van andere belastingplichtigen bepaalde documenten waren aangetroffen, op zichzelf onvoldoende was om van BV X te verlangen deze documenten te overleggen als er geen aanwijzingen waren dat die documenten ook bij BV X aanwezig waren. BV X had volgens de Rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet over het bouwcontract en nadere informatie over de koopprijs van F beschikte en ook geen taxatierapporten, prospectussen en presentaties had. De inspecteur had onvoldoende informatie overgelegd waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat BV X over deze informatie beschikte. De Rechtbank vernietigde de informatiebeschikkingen in zoverre. Met betrekking tot de stelling van BV X dat zij bepaalde e-mailcorrespondentie niet had overgelegd op grond van het (informele) verschoningsrecht, besliste de Rechtbank dat e-mailwisseling met verschoningsgerechtigden en rapporten en/of correspondentie afkomstig van derden-adviseurs op grond van het fair-playbeginsel niet hoefden te worden verstrekt voor zover deze de fiscale positie van BV X belichtten of daaromtrent adviseerden. Wat betreft andere (e-mail)correspondentie, zoals e-mails verzonden door de in-house tax counsel, besliste de Rechtbank dat BV X zich niet tegen het verstrekken van deze informatie kon verzetten, omdat in-house tax counsels ten opzichte van BV X geen derden waren. Dat gold ook voor interne documenten van BV X. Alleen als deze (e-mail)correspondentie of interne documenten een weergave van met een verschoningsgerechtigde uitgewisselde informatie bevatten, kon een beroep op geheimhouding vanwege dit verschoningsrecht worden gedaan. Dit gold ook voor (e-mail)correspondentie waarbij de verschoningsgerechtigden of derden-adviseurs slechts in cc waren vermeld en waarin niet de weergave van met een verschoningsgerechtigde uitgewisselde informatie was opgenomen. Voor zover de e-mailwisseling en interne documenten van BV X in verband met het verschoningsrecht c.q. het fair-playbeginsel niet hoefden te worden verstrekt, moest de inspecteur volgens de Rechtbank wel in staat worden gesteld om de stelling van BV X dat informatie op grond van het verschoningsrecht of fair-playbeginsel niet hoefde te worden verstrekt, op aannemelijkheid te kunnen toetsen. Dit betekende dat BV X van (fysieke en/of elektronische) documenten en e-mails waarvoor zij een beroep had gedaan op het (informele) verschoningsrecht aan de inspecteur moest verstrekken (1) de datum en de tijdsaanduiding, (2) de afzender(s), (3) de geadresseerde(n), (4) het onderwerp van de documenten of e-mails en (5) een globale aanduiding van de inhoud. De Rechtbank vernietigde de informatiebeschikkingen 2011 tot en met 2015 partieel en gaf BV X zes weken om de nog openstaande informatie aan de inspecteur te verstrekken.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021