Prejudiciële vragen aan Hoge Raad over aftrek afkoopsom renteswaps

Datum: 17 februari 2021

Woningcorporatie X gebruikte renteswaps in het kader van haar financiële beleid en (risico)beheer. Als gevolg van de Vestia-affaire, die eind januari 2012 aan het licht kwam, nam de overheid maatregelen om het liquiditeitsrisico bij woningcorporaties te beperken en het gebruik van rentederivaten te ontmoedigen. Medio 2014 kocht X vijf gesloten renteswapposities af. Bij gesloten posities waren renteswaps gekoppeld aan onderliggende leningen, waarbij de modaliteiten van de renteswap en de onderliggende lening doorgaans aan elkaar gelijk waren. Ter afdekking van het herleefde renterisico werden de onderliggende leningen daarom geherfinancierd naar leningen met een vaste rente. De door X betaalde afkoopsom bedroeg in totaal € 20.084.278. Zij bracht die afkoopsom in haar aangifte Vpb 2014 ineens ten laste van haar resultaat. De inspecteur corrigeerde de aangifte omdat X de afkoopsom volgens hem moest activeren. X was het daar niet mee eens en ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland stelde voorop dat niet in geschil was dat (1) sprake was van samenhang tussen de renteswaps en de variabel rentende leningen, zodat goed koopmansgebruik tot aan de afkoop samenhangende waardering voorschreef en (2) dat de afkoop van de renteswapposities en de herfinanciering van de variabel rentende leningen naar leningen met een vaste rente, samenhangende rechtshandelingen waren. Het was volgens de Rechtbank de vraag of deze samenhangende rechtshandelingen en de samenhangende waardering betekenden dat fiscaal gezien de na de afkoop en herfinanciering afgesloten nieuwe vastrentende leningen moesten worden beschouwd als voortgezette schulden, en of dat dan tot gevolg had dat de betaalde afkoopsom moest orden geactiveerd. In de jurisprudentie van de Hoge Raad was deze vraag niet beantwoord. De Rechtbank besloot daarom prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De Rechtbank vroeg onder meer of uit goed koopmansgebruik een algemeen geldende rechtsregel voortvloeide, die inhield dat de belastingplichtige die een meerjarig financieringscontract voor het einde van de looptijd beëindigde en in samenhang daarmee een nieuw meerjarig financieringscontract afsloot, de lasten die (al dan niet rechtstreeks) met de voortijdige beëindiging van het oude financieringscontract verband hielden, steeds moest activeren en daarop moest afschrijven. De Rechtbank schorste de behandeling van de zaak en hield iedere verdere beslissing aan.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.