Strafvervolging voor witwassen geen dubbele bestraffing met eerder Duits Strafbefehl

Datum: 21 januari 2021

X werd in Nederland strafrechtelijk vervolgd voor het (1) opzettelijk niet-doen van aangifte, (2) medeplegen aan gewoontewitwassen en (3) deelneming aan een criminele organisatie. X vond echter dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk was omdat hij voor dezelfde verwijten onder 2 en 3 in Duitsland was vervolgd voor het uitzenden van personeel zonder vergunning en het niet-betalen van sociale verzekeringspremies, en hiervoor van de Duitse strafrechter een "Strafbefehl" had ontvangen dat onherroepelijk was geworden. De strafkamer van Hof Arnhem-Leeuwarden besliste echter dat het ne bis in idem-beginsel niet was geschonden. X was weliswaar door de Duitse rechter onherroepelijk veroordeeld, maar deze veroordeling zag op fiscale vergrijpen en niet op de onder 2 en 3 ten laste gelegde strafbare feiten. Het Hof veroordeelde X tot een gevangenisstraf van 15 maanden. X ging in cassatie. A-G heeft naar aanleiding hiervan een conclusie genomen. De A-G stelde voorop dat strafvervolging wegens hetzelfde feit op grond van artikel 68, lid 2, Sr ook was uitgesloten in gevallen waarin een buitenlandse rechter de verdachte had vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, of had veroordeeld. Bij een veroordeling gold dan een extra voorwaarde voor de rechtsbescherming, namelijk dat de straf waartoe de verdachte in het buitenland was veroordeeld geheel ten uitvoer moest zijn gelegd. De A-G vond de motivering van het Hof spaarzaam, maar niet onbegrijpelijk. De Duitse rechter had beslist dat de BV’s van X erop waren gericht de werkelijkheid zo ondoorzichtig mogelijk te maken en dat afrekening in contanten plaatsvond om de omvang van de zakelijke activiteiten te versluieren en het misdrijf zelf aan het zicht te onttrekken. Dat was volgens de A-G iets anders dan het verhullen van de opbrengst van het misdrijf zoals was vereist om een gedraging aan te merken als witwassen. Ook het "Vorenthalten und Veruntreuen von Arbeitsentgelt" waarvoor X in Duitsland was veroordeeld, was volgens de A-G niet een-op-een gelijk te stellen met deelneming aan een criminele organisatie. De A-G adviseerde de Hoge Raad het cassatieberoep van X toch gegrond te verklaren in verband met zijn stelling dat de behoorlijke procesorde was geschonden doordat de verwijten van misdrijven waarop het oogmerk van de criminele organisatie betrekking had, in hoge mate vergelijkbaar waren met omstandigheden die aan het Duitse strafbevel ten grondslag lagen. Door de gelijktijdigheid van de gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van X konden beginselen van een behoorlijke procesorde zich verzetten tegen het instellen van strafvervolging. De A-G adviseerde de Hoge Raad de zaak terug te wijzen naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.