Uruguayaanse bronbelasting niet verrekenbaar

Datum: 21 januari 2021

BV X verhuurde in 2015 kranen en trailers aan haar dochtervennootschap Y SA in Uruguay. Daarnaast verrichtte zij technische ondersteunende diensten aan Y SA. Op de aan BV X betaalde vergoeding voor deze werkzaamheden (de royalty’s) hield Y SA 12% Uruguayaanse bronbelasting in. BV X nam in haar aangifte Vpb 2015 het bedrag van € 149.850 aan Uruguayaanse bronbelasting als aftrekbare kosten in aanmerking. De inspecteur legde de aanslag op overeenkomstig de aangifte. BV X ging in bezwaar en stelde toen dat de bronbelasting niet als aftrekbare kosten kwalificeerde maar als (in de toekomst) verrekenbare bronbelasting in de zin van artikel 36 BvdB. De inspecteur was het daar niet mee eens omdat Uruguay vanaf 2001 niet (meer) kwalificeerde als ontwikkelingsland in de zin van artikel 6 BvdB. Rechtbank Den Haag stelde de inspecteur in het gelijk, waarop BV X in hoger beroep ging en stelde dat het niet langer aanwijzen van Uruguay als ontwikkelingsland in strijd was met de vrijheid van kapitaalverkeer. Hof Den Haag stelde BV X in het ongelijk. De fiscale behandeling van ontvangen royalty’s kon in beginsel zowel onder de vrijheid van dienstverrichting als de vrijheid van kapitaalverkeer vallen. Bij de beantwoording van de vraag welke van beide verkeersvrijheden van toepassing was, moest rekening worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling in kwestie. Het voorwerp van de verrekeningsbepaling van artikel 36 BvdB 2001 was in dit geval de fiscale behandeling van royalty’s ontvangen door een in Nederland gevestigde belastingplichtige van een schuldenaar gevestigd in een ontwikkelingsland. Onder royalty’s werd volgens artikel 5, onderdeel c, BvdB 2001 onder andere verstaan vergoedingen voor het (recht van) gebruik van nijverheids- en handelsuitrusting, en vergoedingen voor het verlenen van technische diensten in een ontwikkelingsland. Aangezien deze bepalingen betrekking hadden op een vergoeding voor het verlenen van (verhuur- en technische) diensten, viel deze situatie hoofdzakelijk onder de vrijheid van dienstverrichting. De kapitaalbeweging die gepaard ging met de activiteiten van BV X – het verhuren van kranen en trailers en het verlenen van technische diensten – was volgens het Hof volledig ondergeschikt aan de dienstverlening en kon daarmee worden verbonden, zodat het niet verrekenen van bronbelasting slechts vanuit het oogpunt van de vrijheid van dienstverrichting kon worden beoordeeld. De vrijheid van dienstverrichting was niet van toepassing in relatie tot derde landen zoals Uruguay. BV X kon zich volgens het Hof dus niet beroepen op de vrijheid van dienstverrichting, en evenmin op de vrijheid van kapitaalverkeer. Ook als BV X zich wel (alleen) kon beroepen op de vrijheid van kapitaalverkeer, dan was het niet langer aanwijzen van Uruguay volgens het Hof daar niet mee in strijd. De belastingdruk op uit Uruguay afkomstige royalty’s was bij de belastingplichtige die het inkomen genoot niet anders of zwaarder dan de belastingdruk op uit Nederland afkomstige royalty’s.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.