Interne reorganisatievrijstelling alleen voor BV’s geen verboden discriminatie

Datum: 19 januari 2021

Y was enig aandeelhouder van BV A en van BV X. BV A, BV X en Y waren de vennoten van vof Z waar-toe zij respectievelijk voor 45%, 10% en 45% waren gerechtigd. In vof Z was een winkelpand ingebracht, waartoe Y tot 29 juli 2016 voor 90% was gerechtigd en BV X voor 10%. Op 29 juli 2016 bracht Y zijn aandeel van 45% in vof Z inclusief het aandeel van 90% in het winkelpand in in BV X tegen uitreiking van aandelen. In de notariële akte werd met betrekking tot deze inbreng een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, letter e en h, WBR juncto artikel 5, 5a en 5b UBBR. Op 21 september 2016 vond er een juridische fusie plaats tussen BV X en BV A met BV A als de verkrijgende en BV X als de verdwijnende vennootschap. De inspecteur legde aan BV A twee naheffingsaanslagen overdrachtsbelasting op, namelijk: één in verband met de inbreng van het winkelpand in BV X en één in verband met de juridische fusie. BV A ging in beroep en stelde dat bij de beide verkrijgingen het uiteindelijke belang bij het winkelpand niet was verschoven, omdat op grond van de doorkijkarresten door de BV’s moest worden heen gekeken. Subsidiair was zij van mening dat sprake was van een vrijstelling van-wege een interne reorganisatie in de zin van artikel 15, lid 1, letter h, WBR omdat Y als natuurlijk persoon tot het concern moest worden gerekend in de zin van artikel 5b UBBR. Rechtbank Noord-Nederland stelde BV A in het ongelijk. Er was sprake van een andere situatie dan die in de doorkijkarresten. Op grond van de doorkijkarresten kon voor een vrijstelling in bepaalde gevallen door een BV worden heen gekeken, maar BV A beriep zich niet op een vrijstelling, maar op onbelastbaarheid. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van BV A besliste de Rechtbank dat een natuurlijk persoon geen onderdeel kon zijn van een concern, zodat de vrijstelling vanwege een interne reorganisatie niet van toepassing was. Volgens de Rechtbank bleek uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever met interne reorganisaties het oog had gehad op overdrachten van onroerende zaken tussen rechtspersonen en niet op overdrachten tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. De besluitgever was met de beperking van het begrip concern tot vennootschappen in artikel 5, lid 2, UBBR niet buiten de hem gedelegeerde regelgevingsbevoegdheid getreden. Er was volgens de Rechtbank ook geen sprake van een schending van het discriminatieverbod. De wetgever had zijn ruime beoordelingsvrijheid ten aanzien van de vraag of sprake was van gelijke gevallen en zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestond, niet overschreden. Uit de wetsgeschiedenis bleek dat de interne reorganisatievrijstelling alleen was bedoeld voor overdrachten tussen rechtspersonen. De wetgever had er uitdrukkelijk voor gekozen om voor overdrachten tussen natuurlijke personen (ondernemers) en rechtspersonen een andere vrijstelling, te weten de inbrengvrijstelling, in het leven te roepen. De keuze van de wet-/besluitgever om het begrip concern te beperken tot rechtspersonen was volgens de Rechtbank ook niet evident van een redelijke grond ontbloot. De Rechtbank handhaafde de naheffingsaanslagen en verklaarde de beroepen van BV A ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.