Aansprakelijkstelling bestuurders verminderd na schending verdedigingsbeginsel

Datum: 18 januari 2021

BV A exploiteerde een uitzendbureau in de infrastructuur en metaalbedrijven. De broers X en Y waren van januari 2005 tot 1 december 2008 de bestuurders van BV A en ieder was voor 50% aandeelhouder van BV A. Hun vader Z was vanaf 1 december 2008 tot 23 april 2010 de enige bestuurder van BV A. De broers verkochten hun aandelen op 23 april 2010 aan een derde. BV A werd in januari 2012 ontbonden. Na een onderzoek van de FIOD en de Belastingdienst bleek dat BV A bijna geen administratie had bewaard en dat zij onjuiste aangiften LB en BTW had ingediend. De inspecteur legde naar aanleiding daarvan een naheffingsaanslag BTW op van € 166.088 en een naheffingsaanslag loonheffingen van € 422.165. Toen BV A die niet betaalde, stelde de ontvanger de broers X en Y op 1 mei 2014 bestuurdersaansprakelijk op grond van artikel 36 IW. X en Y gingen in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste dat X en Y niet aannemelijk hadden gemaakt dat het niet aan hen was te wijten dat BV A niet rechtsgeldig kon melden en zij daarom terecht aansprakelijk waren gesteld. X en Y gingen in hoger beroep. Hof Den Bosch besliste dat het verdedigingsbeginsel was geschonden omdat X en Y vóór het vaststellen van de aansprakelijkstelling voor de BTW niet in de gelegenheid waren gesteld zich hierover uit te laten. Dat de zaak een andere afloop had kunnen hebben als het verdedigingsbeginsel niet was geschonden, vereiste nader bewijs. X en Y hadden volgens het Hof het vereiste bewijs voor die stelling niet kunnen verkrijgen of kunnen aandragen binnen een redelijke termijn vóór het vaststellen van de beschikking aansprakelijkstelling. Met betrekking tot de inbreng van gegevens over de hoogte van de naheffingsaanslag BTW lag de zaak anders. X en Y beschikten namelijk over twee facturen die ook al beschikbaar waren ten tijde van de aansprakelijkstelling. Het verdedigingsbeginsel leidde er echter niet toe dat wanneer X en Y op een bepaald onderdeel inbreng hadden kunnen leveren die mogelijk tot een andere uitkomst had kunnen leiden, daarmee de hele beschikking aansprakelijkstelling moest worden vernietigd. Een meer proportionele benadering, die in overeenstemming was met het beginselkarakter van de rechten van verdediging, kon volgens het Hof zijn om onder omstandigheden de beschikking gedeeltelijk te verminderen. Het Hof vond in dit geval een proportionele vermindering van de aansprakelijkstelling gerechtvaardigd en verklaarde het hoger beroep met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de BTW gegrond. Het hoger beroep van X en Y in de procedure over de aansprakelijkstelling voor de loonheffingen over de tijdvakken oktober 2013 tot en met februari 2014 was volgens het Hof ongegrond omdat de ontvanger aannemelijk had gemaakt dat het niet-betalen van de belastingschuld het gevolg was van aan X en Y te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, en zij daarom terecht aansprakelijk waren gesteld.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.