Navordering erfbelasting tijdig aan “nieuwe” erfgenaam opgelegd

Datum: 13 januari 2021

In 2008 overleed de heer A. Zijn erfgenamen op dat moment waren zijn echtgenote B en een wettige dochter C. Aan de dames B en C werd een aanslag successierecht opgelegd. Rechtbank Amsterdam besliste op 15 januari 2014 in een door X aangespannen procedure over het vaderschap dat A ook de verwekker van X was. Hierdoor was ook X erfgenaam. De inspecteur verminderde na een verzoek van de dames B en C de aanslagen successierecht die aan hen waren opgelegd, naar een verkrijging van een derde deel per erfgenaam. De aanslag van mevrouw B werd verminderd tot € 7.252 en de aanslag van dochter C tot € 286.416. Vervolgens legde de inspecteur op 28 juni 2016 aan X een navorderingsaanslag erfbelasting op van € 286.416 (verkrijging € 1.292.009). X ging in beroep en stelde primair dat de navorderingsaanslag buiten de wettelijke termijn was opgelegd. Subsidiair stelde hij dat hij feitelijk minder dan € 1.292.009 had ontvangen omdat een deel van het vermogen dat belegd was in aandelen verdampt was toen hij als erfgenaam in beeld kwam. Ook had X hoge advocaatkosten moeten betalen en waren ten laste van het vermogen verpleegkosten voor mevrouw B gemaakt. Volgens X moest worden uitgegaan van de waarde op het tijdstip van verkrijging, dus op 15 januari 2014, minus de kosten. De verkrijging bedroeg volgens X daarom maar € 529.338. Meer subsidiair stelde X dat niet meer kon worden nagevorderd dan het gezamenlijke bedrag van de vermindering bij mevrouw B en C (€ 175.682). Rechtbank Noord-Holland was het met de inspecteur eens dat sprake was van een situatie in de zin van artikel 52 SW en dat voor de heffing van erfbelasting moest worden aangesloten bij de waarderings-regels van artikel 21 SW. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. X ging in hoger beroep. Hof Amsterdam was het met de inspecteur en de Rechtbank eens dat sprake was van een situatie in de zin van artikel 52 SW. Het Hof verwierp de stelling van X dat artikel 52 AWR, gelet op een arrest van de Hoge Raad van 11 augustus 2006 niet kon worden toegepast. Dit arrest zag op een situatie waarin de inspecteur de aanslag aan de verkeerde persoon had opgelegd en waarbij er geen relatie was tussen de omvang van de verkrijging van die persoon en de omvang van de verkrijgingen van de andere erven. Het geval van X was anders omdat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslagen aan de dames B en C niet kon weten dat X één van de erfgenamen was. Het vaderschap van A ten aanzien van X was immers pas na het overlijden van A vastgesteld, op grond waarvan een familierechtelijke rechtsbetrekking tussen A en X was ontstaan die terugwerkte tot zijn geboorte. Pas met de beschikking van 15 januari 2014 van Rechtbank Amsterdam was komen vast te staan dat X ook erfgenaam was. Aangezien er bovendien in het geval van X wel sprake was van een relatie tussen de omvang van de verkrijging van de erfgenamen B en C en de omvang van de verkrijging van X, had de inspecteur terecht met toepassing van artikel 52 AWR de navorderingsaanslag opgelegd. Het Hof was het vervolgens ook niet met X eens dat de navorderingsaanslag te laat was opgelegd. Aansluiting moest worden gezocht bij de termijn die was gesteld in artikel 66, lid 2, SW. De ambtshalve verminderingen waren gedagtekend op 28 juni 2016, zodat de navorderingsaanslag tijdig was opgelegd. Het Hof besliste tot slot dat de navorderingsaanslag niet te hoog was opgelegd. Artikel 21, lid 1, SW bepaalde dat het verkregene in aanmerking werd genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kon worden toegekend. Het tijdstip van de verkrijging was in beginsel het moment van overlijden. Uit het testament volgde niet dat een ander tijdstip in aanmerking moest worden genomen. Voor het bepalen van de grootte van de vordering moest worden uitgegaan van de verdeling ten tijde van het openvallen van de nalatenschap en niet van een verdeling in 2014 of 2016, waar X van was uitgegaan. De advocaatkosten kwamen op grond van artikel 20 of 21 SW niet voor aftrek in aanmerking. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 22-01-2021