Belastingadvieskantoor moest mails voor eigen belastingheffing verstrekken

Datum: 7 januari 2021

A bezat indirect alle aandelen in BV X, een belastingadvies- en administratiekantoor dat zich richtte op het MKB. A bezat daarnaast indirect 50% van de aandelen in de buitenlandse NV Z. In november 2013 kondigde de inspecteur een boekenonderzoek aan bij BV X, waarbij ook informatie kon worden verzameld in het kader van de belastingheffing bij derden. Tijdens een bespreking vroeg de inspecteur vervolgens om inzage in het e-mailverkeer van BV X. De inspecteur stelde dat het e-mailverkeer nodig was voor het onderzoek bij BV X naar de opbrengstverantwoording. BV X weigerde de inzage, ook na de toezegging dat zij zelf mails met fiscale adviezen mocht scheiden van overige mails en dat de mails met fiscale adviezen niet gebruikt zouden worden voor de belastingheffing van derden. De inspecteur stelde daarom informatiebeschikkingen vast. BV X ging in beroep en deed daarbij een beroep op haar (informele) verschoningsrecht. Rechtbank Gelderland stelde vast dat BV X niet bestreed dat de e-mails van belang konden zijn voor haar belastingheffing. Dat de inspecteur ook inzage had gevraagd in e-mailverkeer van BV X met derden zag de Rechtbank niet als een fishing expedition, zoals BV X stelde, maar als een verzoek dat verband hield met de controle van de door BV X aangegeven omzet en de opgegeven kosten. De Rechtbank verwierp het beroep van BV X op het informele verschoningsrecht. De gegevens die waren opgevraagd maakten deel uit van de administratie van BV X en waren volgens de Rechtbank als feitelijke gegevens op grond van de artikelen 47 en 52 AWR ten behoeve van de belastingheffing van BV X zelf opgevraagd. Het ging in dit geval ook niet om advisering over de fiscale positie van BV X zelf. BV X was volgens de Rechtbank verplicht de gegevens te verstrekken. Een informeel verschoningsrecht was niet aan de orde. De enkele omstandigheid dat de door de inspecteur verlangde informatie van BV X ook andere fiscale doeleinden kon dienen, leidde niet tot schending van het fair play-beginsel nu er een belang was in de zin van artikel 47 AWR. De Rechtbank gaf BV X een termijn van vier weken om de gevraagde informatie te verstrekken.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 22-01-2021