Pseudo-eindheffing over toegekende rechten op aandelen

Datum: 27 november 2020

A trad op 1 juni 2010 als manager in dienst van BV X. Per 1 april 2011 kreeg hij een nieuwe functie en werd hij bestuurder (CFO) van NV B, de enig aandeelhouder van BV X. Zijn dienstbetrekking bij NV B werd per 1 juli 2015 beëindigd nadat de aandelen van NV B op 17 april 2015 werden overgenomen en NV B niet meer beursgenoteerd was. De inspecteur legde aan BV X een naheffingsaanslag loonheffingen over 2015 op van € 1.690.782 in verband met een pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoedingen voor de aan A toegekende beloningsvoordelen uit een Performance Share Plan (PSP) en een Bonus Conversion Plan (BCP). Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het daarmee eens. BV X ging in hoger beroep, maar Hof Den Bosch bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. De door A behaalde voordelen uit de PSP- en BCP-rechten vormden loon in de zin van artikel 10 Wet LB, maar deze rechten kwalificeerden niet als aandelenoptierechten als bedoeld in artikel 10a, lid 6, Wet LB. BV X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het Hof terecht in zijn beschouwingen had betrokken dat een wezenlijk kenmerk van een aandelenoptie was dat de verkrijger ervan de keuze had de optie al dan niet uit te oefenen, terwijl die keuze bij de verkrijging (al dan niet voorwaardelijk) van de eigendom van een aandeel niet aan de orde was. Daarbij moest volgens de Hoge Raad in aanmerking worden genomen dat in artikel 10a Wet LB de omschrijving in het zesde lid van wat onder een aandelenoptierecht kon worden verstaan, verband hield met de in het eerste lid opgenomen bepaling dat niet de waarde van de aandelenoptie tot het loon werd gerekend, maar de opbrengst van uitoefening of vervreemding. Ook in dit opzicht was er een verschil met de wijze waarop de waarde van toegekende (rechten op) aandelen in de belastingheffing werd betrokken. Deze verschillen stonden volgens de Hoge Raad eraan in de weg de verwerving van aandelen voor de toepassing van artikel 32bb, lid 6, Wet LB (tekst 2015) op dezelfde wijze te behandelen als de verwerving van aandelenopties. Artikel 32bb, lid 6, Wet LB (tekst 2015) had alleen betrekking op aandelenoptierechten. De ratio van deze bepaling bracht volgens de Hoge Raad ook niet in algemene zin mee dat het ontbreken van een verband met de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg moest hebben dat een loonbestanddeel bij de berekening van de vertrekvergoeding buiten beschouwing bleef. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 22-01-2021