Rechter volgde gedeformaliseerde bezwaarafhandeling niet

Datum: 26 november 2020

Toen X geen aangifte IB deed over 2017 legde de inspecteur een ambtshalve aanslag op. X stuurde binnen de bezwaartermijn een ingevuld aangiftebiljet in bij zijn "bezwaar definitieve aanslag" en verzocht om de aanslag te verminderen. De inspecteur liet X weten dat hij de aangifte in behandeling zou nemen als een verzoek om ambtshalve vermindering, maar X stelde dat de aangifte als bezwaar moest worden gezien en dat dit moest leiden tot een uitspraak op bezwaar. De inspecteur deed vervolgens "uitspraak op het verzoek" en wees dat verzoek af. X ging in beroep. Volgens de inspecteur moest het beroep van X niet-ontvankelijk worden verklaard omdat tegen een uitspraak op een verzoek om ambtshalve vermindering op grond van artikel 9.6 Wet IB 2001 eerst bezwaar moest worden gemaakt voordat beroep kon worden ingesteld. De inspecteur stelde verder dat hij gebonden was aan beleid van de Belastingdienst dat tot stand was gekomen naar aanleiding van de 19e Halfjaarsrapportage Belastingdienst, waarin een passage was opgenomen over de wijze van afhandeling van bezwaarschriften. Dit beleid voor een situatie als die van X was neergelegd in een memo "Vaktechnische toelichting project deformalisering IH" van 27 september 2017. Rechtbank Zeeland-West-Brabant besliste echter dat X wel degelijk bezwaar had gemaakt. Volgens de Rechtbank kon uit jurisprudentie van de Hoge Raad worden afgeleid dat de drempel om een bericht als een bezwaarschrift aan te merken laag lag. Als uit een aan de Belastingdienst toegestuurd bericht was af te leiden dat de belastingplichtige het niet eens was met een aan hem opgelegde aanslag, moest dat bericht al snel als een bezwaarschrift worden aangemerkt. De in het memo van 27 september 2017 aangehaalde eerdere invoering van artikel 9.6 Wet IB 2001 was volgens de Rechtbank geen reden de jurisprudentie van de Hoge Raad niet meer als uitgangspunt te nemen. De stelling van de inspecteur dat een betrokkene niet in zijn rechtspositie werd geschaad door de toepassing van de "gedeformaliseerde werkwijze" (behandeling als 9.6-verzoek in plaats van als bezwaar) was volgens de Rechtbank niet in het algemeen, althans niet in al haar onderdelen, juist. Volgens de Rechtbank gold daarom als uitgangspunt dat de aangifte van X moest worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Volgens de Rechtbank was geen uitspraak gedaan op het wél gemaakte bezwaar, terwijl wel uitspraak was gedaan op een niet door X gedaan verzoek. De Rechtbank ging ervan uit dat het beroep van X ook kon worden opgevat als een beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar, en verklaarde dat gegrond. De Rechtbank besliste dat de inspecteur binnen vier weken alsnog uitspraak op bezwaar moest doen op straffe van een dwangsom van € 100 per dag waarmee deze termijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 22-01-2021