Woningcorporatie kon sloopwoningen niet afwaarderen tot waarde grond

Datum: 25 november 2020

Woningcorporatie X liet in 2011 in het kader van drie nieuwbouwprojecten 90 van haar sociale huurwoningen slopen. De nieuwbouw betrof sociale huurwoningen, duurdere huurwoningen en koopwoningen. De inspecteur accepteerde bij de aanslagregeling Vpb 2011 een afwaardering van de sloopwoningen naar de lagere bedrijfswaarde (opstallen inclusief ondergrond) voorafgaand aan de sloop, maar weigerde een verdere afwaardering naar de waarde van de ondergrond. Rechtbank Den Haag was het daarmee eens. X ging in hoger beroep, maar Hof Den Haag heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Ook het Hof vond dat X niet aannemelijk had gemaakt dat in dit geval, zoals in de zaak van het Warenhuisarrest van de Hoge Raad van 21 april 1993, de gesloopte opstallen (de sloopwoningen) waren vervangen door functioneel gelijke bedrijfsmiddelen (de nieuwe woningen). De gesloopte sociale huurwoningen waren vervangen door een mix van sociale huurwoningen, duurdere huurwoningen en koopwoningen. De duurdere huurwoningen en koopwoningen hadden binnen de bedrijfsuitoefening van X een andere functie dan de sociale huurwoningen. Ook had X volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de vervangende bedrijfsmiddelen (de nieuwe woningen, al dan niet in het sociale huursegment) van vrijwel dezelfde omvang waren als de sloopwoningen. X kon de boekwaarde van de sloopwoningen niet ten laste van de winst afwaarderen tot de marktwaarde van de ondergrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 22-01-2021