Afwaardering na debiteursvervanging deels aftrekbaar

Datum: 20 november 2020

X hield alle aandelen in BV D die enig aandeelhouder was van BV E. BV E bezat alle aandelen in verschillende groepsmaatschappijen, waaronder BV F. De D-groep was jarenlang gefinancierd door banken, maar sinds het einde van de jaren ’90 vond de financiering grotendeels plaats door X door geldverstrekking in rekening-courant. BV F werd aanvankelijk hoofdzakelijk gefinancierd door verschillende vennootschappen van de D-groep met geld dat zij van X hadden geleend. In 2012 werden de gelden die X met het oog op de financiering van BV F aan andere vennootschappen van de D-groep had verstrekt, omgezet in een vordering in rekening?courant van X op BV F. Ultimo 2012 bedroeg de r/c-vordering van X op BV F € 580.758. BV F werd in oktober 2013 failliet verklaard. In zijn IB-aangifte 2012 bracht X € 580.758 als afwaarderingsverlies ten laste van zijn resultaatsinkomen, maar de inspecteur stond dat niet toe. X ging in beroep. Hof Den Haag was het met de inspecteur eens dat het afwaarderingsverlies niet aftrekbaar was, maar de Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X gegrond. Het Hof was bij zijn beoordeling van de aftrekbaarheid van het afwaarderingsverlies ervan uitgegaan dat de jurisprudentie van de Hoge Raad over onzakelijke leningen van toepassing was. Daarbij was het Hof kennelijk ervan uitgegaan dat een D-groepsvennootschap een vordering op BV F had overgedragen aan X ter aflossing van een schuld aan X en X dus met betrekking tot de oorspronkelijke geldverstrekking had bewilligd in het aantreden van een andere debiteur ("debiteursvervanging"). Als de vordering op een D-groepsvennootschap ten tijde van de aflossing ervan onvolwaardig was, kon volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat het vermogensverlies dat bij die gelegenheid voor X aan het licht trad, zijn oorzaak vond in de aanvaarding van een onzakelijk debiteurenrisico bij het aantreden van BV F als debiteur. Voor zover de nominale waarde van die vordering op dat tijdstip de waarde in het economische verkeer overtrof, kwam het verlies in beginsel ten laste van het resultaat van X. Het Hof had dit miskend met zijn beslissing dat bij de beoordeling van de aftrekbaarheid van de afwaardering van de rekening-courantvordering niet van belang was of het afwaarderingsverlies zag op de afwaardering van de vorderingen die X had op de andere groepsvennootschappen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en verwees de zaak naar Hof Amsterdam.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020