STAK-bestuurder ook zonder certificaten a.b.-houder, maar afwaarderingsverlies niet aftrekbaar

Datum: 19 november 2020

De met Y samenwonende X richtte op 11 juni 2007 een Stichting administratiekantoor (STAK) op waarvan hij enig bestuurder werd. De STAK richtte in maart 2009 samen met D BV A op. X verkreeg door een fout van de notaris niet meteen bij de oprichting van BV A certificaten van aandelen, maar pas op 27 oktober 2015. In zijn aangifte IB 2013 trok X een afwaarderingsverlies af met betrekking tot een vordering op BV A van € 55.000, maar de inspecteur weigerde dat omdat X geen aanmerkelijk belang (a.b.) had. X ging in beroep en stelde dat Y als een met hem verbonden persoon in de zin van artikel 3.92, lid 2, onderdeel b, Wet IB 2001, in 2011 een a.b. had verkregen in BV A. Ook stelde X dat het de bedoeling was geweest dat hij vanaf de oprichting van BV A certificaten van de door de STAK gehouden aandelen in BV A zou verkrijgen. Alleen door een fout van de notaris had hij de oorspronkelijk bedoelde certificaten pas in 2015 verkregen. Volgens X had hij vanaf de oprichting van BV A economisch gezien het belang bij de aandelen in de BV en had hij daarom vanaf de oprichting van BV A economisch gezien een a.b. in deze vennootschap. Rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van X ongegrond. X had volgens de Rechtbank voor het eerst op 27 oktober 2015 certificaten verkregen van door de STAK gehouden aandelen in BV A. Hij had op grond van de certificaten dan ook zelf pas sinds die datum een a.b. in BV A. X kon volgens de Rechtbank ook geacht worden een a.b. in BV A te houden als hij over de vermogensbestanddelen van de STAK, inclusief de aandelen in BV A, kon beschikken als ware het zijn eigen vermogen. Dat was volgens de Rechtbank aannemelijk vanaf de oprichting van BV A, omdat X in lijn met de statuten van de STAK sinds de oprichting van de STAK bestuurder was. Ook was aannemelijk dat X in die hoedanigheid kon doen en laten wat hij wilde met het vermogen van de STAK. Hieruit volgde dat X vanaf de oprichting in 2009 een a.b. hield in BV A, zodat de door hem aan BV A verstrekte lening kon worden aangemerkt als aan de BV ter beschikking gesteld vermogen in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. Dit kon X niet baten, want de Rechtbank besliste vervolgens dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een onzakelijke lening. Er kon volgens de Rechtbank geen niet van de winst van BV A afhankelijke vergoeding worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken als door X verstrekt, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. De Rechtbank vond daarbij van belang dat nergens uit bleek dat op het moment dat X en BV A de lening daadwerkelijk waren aangegaan – het moment waarop X de gelden aan BV A had verstrekt – partijen al afspraken hadden gemaakt over terugbetaling van de lening en door BV A te verstrekken zekerheden. Ook was het eigen vermogen van BV A ten tijde van het verstrekken van de lening (sterk) negatief, zodat ook hieruit de rente en aflossing niet betaald kon worden. Bovendien waren de resultaten van BV A in de jaren vóór het aangaan van de lening (fors) negatief en was in 2011 slechts een bescheiden resultaat behaald. De door X aan BV A verstrekte lening was onzakelijk en het verlies daarop kon niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden worden afgewaardeerd.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020