Navordering en € 80.210 vergrijpboete voor winstuitdeling via Ierse Ltd

Datum: 16 november 2020

In 2001 beëindigde stichting B de sinds 1999 bestaande samenwerking met BV A waarvan Y aandeelhouder was. BV A claimde vervolgens een schadevergoeding van B. De civiele kamer van Rechtbank Noord-Nederland besliste in 2012 dat B € 1.511.970 aan BV A moest betalen. In dat jaar verkocht Y de aandelen van BV A aan zijn broer X voor € 20.000. In de akte stond dat de koper X wist dat BV A betrokken was bij een gerechtelijke procedure tegen B. De aandelen werd op 28 januari 2013 geleverd. Op die datum werd ook de Ierse Ltd C opgericht. X en een derde waren de bestuurders van de Ltd. B betaalde in mei 2013 via de curator van BV A de schadevergoeding van € 1.511.970. De deurwaarder van BV A maakte het bedrag vervolgens over naar de bankrekening van Ltd C. De inspecteur stelde dat sprake was van een winstuitdeling aan X en legde aan hem een navorderingsaanslag IB 2013 op met 50% vergrijpboete. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland was het met de inspecteur eens dat de betaling namens BV A aan Ltd C geen zakelijke grondslag had, maar alleen was gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoefte van X, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van BV A. X had niet aannemelijk gemaakt dat BV A voor ruim € 1,5 mln schulden had. Dat X in privé niets zou hebben ontvangen, was niet van belang. Voldoende was dat het geld aan BV A was onttrokken ten gunste van X in zijn hoedanigheid van aandeelhouder. Dat X het bedrag niet aan zichzelf maar aan Ltd C ten goede had laten komen, deed er niet toe. De Rechtbank verwierp ook de stelling van X dat sprake was van een onterechte dubbele heffing. BV A werd belast voor het bedrag dat zij van B had ontvangen, terwijl X werd belast voor het bedrag dat hij van BV A had ontvangen. Volgens de Rechtbank moesten BV A en X zich ervan bewust zijn geweest dat X, in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van BV A was bevoordeeld. De navorderingsaanslag was volgens de Rechtbank terecht opgelegd. De Rechtbank verlaagde wel de vergrijpboete omdat de inspecteur geen feiten en omstandigheden had gesteld waaruit kon worden afgeleid dat de wil van X er op enige manier op was gericht dat te weinig belasting zou worden geheven. Er was volgens de Rechtbank geen sprake van (voorwaardelijk) opzet, maar de Rechtbank vond wel dat X grofschuldig had gehandeld zodat een vergrijpboete van 25% passend en geboden was. De redelijke termijn was met een jaar en tien maanden overschreden zodat de Rechtbank de boete nog met 15% matigde. De boete kwam dan uit op € 80.210 en de Rechtbank vond dat bedrag ook passend en geboden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020