Staatssecretaris berust in diensttijdvrijstelling voor vakantietoeslag IKB

Datum: 28 oktober 2020

Overheidsorganisatie X had een Arbeidsvoorwaardenregeling (AVR) waarin een Individueel Keuze Budget (IKB) was opgenomen dat per maand ter beschikking werd gesteld en onder meer 1/12e deel van de voorheen jaarlijks toe te kennen vakantietoeslag bevatte. De inspecteur stelde dat het opgebouwde deel van het IKB dat correspondeerde met de voormalige vakantietoeslag (VT) behoorde tot "het loon over een maand" in de zin van artikel 11, lid 1, onder m en o, Wet LB, maar Hof Den Haag dacht daar anders over en besliste dat X het tot de beloning van de jubilarissen behorende VT-IKB (8% van het maandloon) terecht had aangemerkt als een vast loonbestanddeel dat kon worden gekwalificeerd als een onderdeel van het loon over een maand als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdelen m en o, Wet LB en artikel 3.1 Uitvoeringsregeling LB 2011. Met deze laatste bepaling was volgens de staatssecretaris niet bedoeld vaste gegarandeerde loonbestanddelen uit te sluiten, ook niet wanneer deze in een IKB werden onderge-bracht. Met deze bepaling werd alleen geregeld dat tantièmes, toevallige bijzondere beloningen en aanspraken niet mochten worden meegenomen voor de bepaling van de omvang van onder andere de diensttijdvrijstelling. Voor zover nodig zal dit worden verduidelijkt in het Handboek loonheffingen (paragraaf 19.2.1). Volgens de staatssecretaris is de uitkomst waartoe het Hof was gekomen juist, "wat er ook zei van de daarvoor gebezigde gronden".

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 04-12-2020