Leven van oplopende rekening-courantschuld bij eigen BV: uitdeling met 50% boete

Datum: 15 oktober 2020

X was enig aandeelhouder in BV Y, die 50% van de aandelen van BV Z bezat. Van 2011 tot en met 2015 keerde BV Z jaarlijks dividend uit aan BV Y van € 91.625. De dividenduitkering in 2016 bedroeg € 89.334. X had een rekening-courantschuld aan BV Y, die tussen 2011 en eind 2016 was opgelopen van € 1.011.027 op tot € 1.677.984. Per 1 januari 2016 bedroeg de rekening-courant-schuld € 1.404.284 en de hierover bedroeg in 2016 € 45.551. Van de rekening-courant was geen schriftelijke overeenkomst opgesteld, er waren geen afspraken gemaakt over aflossingen en er waren geen zekerheden gesteld. De rente werd jaarlijks bijgeschreven in rekening-courant. X had geen andere inkomsten uit werk en woning dan die van de eigen woning. Hoewel X voor de jaren 2011 tot en met 2016 was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte IB te doen, diende hij over deze jaren geen of te laat aangiften in. De inspecteur legde ambtshalve aanslagen op met een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (a.b.) van € 91.265 per jaar over 2011 tot en met 2014, een regulier voordeel uit a.b. van € 95.000 over 2015 en van € 91.265 over 2016. Tegen de aanslagen tot en met 2015 maakte X geen bezwaar, maar hij ging wel in bezwaar en beroep tegen de aanslag IB 2016 waarbij ook een vergrijpboete van 50% (€ 10.287) was opgelegd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant vond dat de inspecteur terecht een uitdeling in aanmerking had genomen die als regulier voordeel uit a.b. moest worden belast, omdat aannemelijk was dat de door X in 2016 van BV Y ontvangen bedragen niet meer zouden worden terugbetaald aangezien de gelden waren gebruikt voor levensonderhoud en betaling van belastingschulden. X voorzag al jaren op deze manier in zijn levensonderhoud en hij had geen andere bron van inkomsten om in zijn levensonderhoud te voorzien. Al die tijd was ook geen actie ondernomen om een van zijn twee onroerende zaken te verkopen of op andere wijze af te lossen op de rekening-courant. De Rechtbank vond het aannemelijk dat BV Y en aandeelhouder X zich bewust waren geweest, of dat hadden moeten zijn, dat de door BV Y verstrekte gelden niet meer zouden worden terugbetaald en de gelden zodoende definitief aan BV Y waren onttrokken. De Rechtbank vond ook dat was voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een vergrijpboete van 50% en vond die ook passend en geboden, maar matigde die met 10% tot € 8.229 omdat de redelijke termijn was overschreden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.