Streep door navorderingen Antilliaanse SPF-vermogen

Datum: 14 oktober 2020

De in België wonende Y had zijn vermogen ondergebracht in een Arubaanse Vrijgestelde Vennootschap. In 2000 besloot hij (een deel van) zijn vermogen over te hevelen naar zijn drie kinderen. Zijn schoonzoon A, die internationaal belastingadviseur was bij BDO, stond hem hierin bij en adviseerde een Stichting Particulier Fonds (SPF) op te richten. Dat gebeurde op 1 augustus 2000. Oprichter NV Z was bestuurder, vader Y en zijn dochter X werden benoemd tot leden van de Raad van Advies. Na een strafrechtelijk onderzoek tegen de familie legde de inspecteur (navorderings)aanslagen op over 2002 tot en met 2008. Daarbij werd het vermogen van de SPF aan mevrouw X toegerekend en haar vermogen in box 3 verhoogd. Een belastingadviseur van Berk ging namens mevrouw X in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant verwierp haar primaire stelling dat de inspecteur geen nieuw feit had op grond waarvan de navorderingsaanslagen over 2002 tot en met 2007 konden worden opgelegd. Deze navorderingsaanslagen waren gebaseerd op informatie die afkomstig was van het OM in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, en deze informatie was de inspecteur pas bekend geworden na de vaststelling van de reguliere aanslagen over deze jaren. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de inspecteur terecht de bewijslast had omgekeerd en verzwaard, omdat mevrouw X was betrokken bij de SPF, en zij daarom de trustvraag in de aangiften had moeten aankruisen en dat, behalve in de aangiftes over 2005 en 2006, niet had gedaan. Hierdoor had zij niet de vereiste aangifte gedaan voor de jaren 2002 tot en met 2004, 2007 en 2008. De Rechtbank besliste vervolgens inhoudelijk dat de navorderingsaanslagen moesten worden vernietigd omdat de schattingen van de inspecteur de redelijkheidstoets niet konden doorstaan. De inspecteur had namelijk niet onderbouwd dat mevrouw X over het SPF-vermogen had beschikt als ware het haar eigen vermogen, omdat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten in juridische zin aanwezig waren. Verder zag de Rechtbank ook bij een beoordeling van de feitelijke gang van zaken onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen spreken van beschikkingsmacht aan de zijde van mevrouw X. De voornaamste feitelijke gedragingen van mevrouw X zelf bestonden in dit verband uit het ontvangen van gelden en vanaf 2005 uit het zelf geven van enkele instructies op basis van een standaardtekst voor het opnemen van gelden. Verder bleek nergens uit dat mevrouw X invloed had uitgeoefend op de benoeming van leden van de Raad van Advies, de benoeming van het bestuur van de SPF, het beleggingsbeleid van de SPF of overige zaken die de SPF aangingen. De toerekening door de inspecteur van het SPF-vermogen aan mevrouw X was volgens de Rechtbank voornamelijk gebaseerd op een toerekening van het handelen van haar zwager A en vader Y aan mevrouw X. De Rechtbank verwierp ook het verdere standpunt van de inspecteur dat sprake was geweest van een samenwerkende groep waartoe mevrouw X behoorde, en daarom toerekening van het vermogen van de SPF aan haar moest plaatsvinden en was het tot slot ook niet met de inspecteur eens dat het box-3-vermogen van mevrouw X moest worden verhoogd omdat zij een recht had op het vermogen van de SPF in de zin van artikel 5.3, lid 2, onderdeel f Wet IB 2001. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.