Verhuurd horecapand opgeven in box 3 geen beroepsfout belastingadviseur

Datum: 13 oktober 2020

Ondernemer X bezat in privé 30 tot 40 beleggingspanden die hij aangaf in box 3. In 2005 verkocht hij min of meer gedwongen door de gemeente de panden waarin hij een seksinrichting exploiteerde. Voor de boekwinst vormde hij een herinvesteringsreserve (HIR) van € 909.105. In 2007 kocht hij voor € 2,25 mln een verhuurd horeca-pand met bovenwoningen. Zijn belastingadviseur gaf dat pand aan als beleggingsobject in box 3. Bij de aanslagregeling IB 2008 in 2011 liet de inspecteur de HIR vrijvallen omdat er volgens hem geen herinvestering was. De belastingadviseur maakte in opdracht van X bezwaar, maar dat werd wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. X spande een civiele procedure aan tegen zijn belastingadviseur en vorderde een schadevergoeding. Hij stelde dat zijn adviseur een beroepsfout had gemaakt. Volgens X had de etikettering van het horecapand op grond van de foutenleer kunnen en moeten worden hersteld, zodat de HIR daarop had kunnen worden afgeboekt. De civiele kamer van Hof Arnhem-Leeuwarden was het daar niet mee eens en wees de vordering van X af. Het horecapand kon volgens het Hof niet als een vervangende investering worden gezien in de seksonderneming. Die onderneming was gestaakt met de verkoop van de prostitutiepanden. Een prostitutiebedrijf op deze locatie was volgens het bestemmingsplan uitgesloten en zou de gemeente daar ook nooit toestaan. Het horecapand was volgens het Hof verplicht privévermogen en was dan ook terecht ondergebracht in box 3, net als zijn andere beleggingspanden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.