Navorderingsaanslagen ondanks vrijspraak voor witwassen in stand

Datum: 13 oktober 2020

X en zijn echtgenote waren beiden in dienstbetrekking bij een gemeente. In 2006 kocht X een woning in Hongarije. Verder had het echtpaar diverse auto’s, motoren en caravans op hun naam (gehad), en beschikten zij over diverse Nederlandse en Hongaarse bankrekeningen. Naar aanleiding van signalen over de levensstijl van X en zijn gezin stelde de inspecteur een onderzoek in naar de contante stortingen die X had gedaan op zijn eigen bankrekeningen en die van zijn twee kinderen. De inspecteur legde vervolgens navorderingsaanslagen IB op voor de jaren 2010-2014 met boeten van 50%. Op 19 mei 2015 meldde de inspecteur de zaak van X aan bij het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Limburg (RIEC). Op dat moment liep al een strafrechtelijk onderzoek naar X en zijn echtgenote in verband met een verdenking van witwassen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel over vanaf 2010 tot 1 april 2016 was in dat onderzoek berekend op bijna € 200.000. De inspecteur legde vervolgens een tweede tranche navorderingsaanslagen IB op voor de jaren 2010 tot en met 2014, ook met boeten van 50%. De meervoudige strafkamer van Rechtbank Limburg sprak X op 21 maart 2018 vrij van de verdenking van witwassen. X ging in beroep tegen de navorderingsaanslagen. Hof Den Bosch besliste dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de constante stortingen afkomstig waren uit een onbekend gebleven bron van inkomen en belast waren als resultaat uit overige werkzaamheden. X had volgens het Hof niet de vereiste aangifte gedaan en de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard. X was er volgens het Hof niet in geslaagd in het bewijs dat de navorderingsaanslagen te hoog waren vastgesteld. De schattingen van de inkomens van X door de inspecteur waren volgens het Hof ook redelijk. Het Hof verwierp de stelling van X dat uit de vrijspraak in de strafzaak volgde dat de uitkomsten uit het strafrechtelijk onderzoek niet konden worden gebruikt. De strafrechter had beslist dat X de herkomst van het geld niet had kunnen verklaren, maar dat dit niet betekende dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig waren. Dit sloot volgens het Hof dus niet uit dat de geldbedragen afkomstig waren van een onbekende inkomstenbron die X ten onrechte niet in zijn aangiften IB had opgegeven. Het Hof vond boeten van 30% vanwege de omkering en verzwaring van de bewijslast passend en geboden, maar verminderde de boeten bij de eerste tranche navorderingsaanslagen wegens overschrijding van de redelijke termijn nog met 10%.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.