Bloot eigendom woning door Franse “verdeling bij leven” belast in box 3

Datum: 12 oktober 2020

Française X was gehuwd en woonde in Nederland. Zij verkreeg bij notariële akte van 6 juni 2011 van haar ouders de bloot eigendom van een woning in Frankrijk onder voorbehoud van een levenslang vruchtgebruik door haar ouders. De woning had op het moment van de verkrijging een waarde van € 200.000. Mevrouw X vermeldde in haar aangiften IB over 2013 tot en met 2016 de bloot eigendom van de woning in box 3 voor € 200.000. De aanslagen IB 2012, 2013 en 2014 werden conform de aangiften opgelegd, maar in mei 2017 verzocht mevrouw X die aanslagen ambtshalve te verminderen omdat de woning volgens haar niet tot haar box 3-vermogen behoorde. De inspecteur wees dat verzoek af, maar verminderde in de bezwaarfase voor de jaren 2014 en 2015 de waarde van de bloot eigendom met 50% naar € 100.000 vanwege het overlijden van de vader in 2012. Nadat mevrouw X bezwaar had gemaakt tegen de aanslag IB 2016 stelde de inspecteur de waarde van het bloot eigendom ook voor dat jaar vast op € 100.000. Mevrouw X ging in beroep en stelde dat de akte van 6 juni 2011 naar zijn aard, inhoud en referentie aan het Franse erfrecht en de notariële opmaak een uiterste wilsbeschikking was, die niet was gewijzigd of herroepen. Daarmee was volgens mevrouw X voldaan aan alle voorwaarden van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001, zodat de woning niet tot haar box 3-vermogen kon worden gerekend. Rechtbank Den Haag stelde haar in het ongelijk. Hof Den Haag heeft de uitspraak van de Rechtbank naar aanleiding van het hoger beroep van mevrouw X bevestigd. Volgens het Hof was de akte uit 2011 de grondslag voor de verwerving van de blote eigendom van de woning en de vestiging van het recht van vruchtgebruik. De titel van de verkrijging was volgens die akte "donation entre vifs à titre de partage anticipé" op grond van de artikelen 1075 en volgende van de Code Civil. De "donation entre vifs à titre de partage" moest volgens het Hof worden gezien als een schenking bij leven ten titel van vervroegde verdeling en niet als een verkrijging krachtens Frans erfrecht. De uitzondering van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 was daarom niet van toepassing. De woning behoorde daarom tot de rendementsgrondslag. Het Hof verwierp het beroep van mevrouw X op het gelijkheidsbeginsel. De Franse rechtsfiguur van de "donation entre vifs à titre de partage" kende geen tegenhanger in het Nederlandse recht, maar was vergelijkbaar met een "schenking bij leven". Voor de toepassing van artikel 5.4, lid 3, onderdeel a, Wet IB 2001 was een vruchtgebruik krachtens schenking niet gelijk te stellen met een vruchtgebruik krachtens uiterste wilsbeschikking of op grond van buitenlands wettelijk erfrecht, waarvan in dit geval geen sprake was. Ingeval van een schenking van een in Nederland gelegen woning aan een (in Nederland woonachtige) belastingplichtige onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik ten behoeve van de ouders, behoorde de blote eigendom van de woning bovendien óók tot de rendementsgrondslag in box 3 van de verkrijger. De nationaliteit van de verkrijger speelde geen rol bij de toepassing van artikel 5.4, lid 3, aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001. Daarom was in dit geval geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.