Gebleken onschuld-criterium niet in strijd met onschuldpresumptie EVRM

Datum: 5 oktober 2020

Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad zijn er twee redenen die de Staat wegens een onrechtmatige overheidsdaad verplichtten tot het vergoeden van schade in verband met strafrechtelijk optreden van politie en justitie, namelijk (1) dat van de aanvang af een rechtvaardiging voor dit optreden ontbrak doordat het in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm en (2) dat uit de uitspraak van de strafrechter of anderszins uit de stukken betreffende de strafzaak bleek van de onschuld van de verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. De civiele kamer van Hof Den Haag legde eind 2019 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over het onder 2 genoemde "gebleken onschuld-criterium". De civiele rechter wilde weten of dit criterium in strijd was met de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2, EVRM en zo ja, welk criterium in plaats daarvan dan zou moeten worden gehanteerd. De Hoge Raad heeft die vragen beantwoord. In een geval waarin de verdachte onherroepelijk was vrijgesproken, bracht de rechtspraak van het EHRM volgens de Hoge Raad mee dat de burgerlijke rechter uitsluitend mocht nagaan of de onschuld van de gewezen verdachte bleek uit de motivering in de uitspraak van de strafrechter of uit de stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak. De burgerlijke rechter mocht daarbij niet treden in een (nader) onderzoek naar de gedragingen van de verdachte in verband met het strafbare feit waarop de verdenking betrekking had. Als de vordering tot schadevergoeding werd afgewezen, moest de burgerlijke rechter zich beperken tot een overweging dat niet was gebleken van de onschuld van de gewezen verdachte en het achteraf bezien ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Artikel 6, lid 2, EVRM stond er volgens de Hoge Raad op zich niet aan in de weg dat de stelplicht en de bewijslast op de gewezen verdachte rustte. De rechter mocht dan van de gewezen verdachte uitsluitend verwachten dat hij (1) voldoende gespecificeerd stelde dat uit de uitspraak van de strafrechter of de overige stukken betreffende de niet met een bewezenverklaring geëindigde strafzaak bleek van zijn onschuld en (2) dat hij de desbetreffende stukken uit de strafzaak in het geding bracht. Zo onthield de burgerlijke rechter zich van een eigen, zelfstandige waardering van de (mogelijke) betrokkenheid van de gewezen verdachte bij het tenlastegelegde feit en kwam de motivering van een afwijzende beslissing ook niet neer op een de facto schuldigverklaring of verdachtmaking in weerwil van de vrijspraak door de strafrechter van de verdachte. Het op deze manier afwijzen van de vordering tot (aanvullende) schadevergoeding op de grond dat niet was voldaan aan het gebleken onschuld-criterium, was volgens de Hoge Raad niet in strijd met artikel 6, lid 2, EVRM.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.