Voormalig vennoot aansprakelijk voor BTW-schuld van vof

Datum: 25 september 2020

X, zijn echtgenote en hun drie kinderen waren de vennoten van vof Italmoda. Italmoda hield zich bezig met schoenimport, tot daar een einde aan kwam door de opkomst van Aziatische schoenen. Daarna hield Italmoda zich bezig met op Italië gerichte computerhandel. Nadat Italmoda was opgehouden te bestaan, stelde de ontvanger X als bestuurder van Italmoda in december 2002 hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 33, lid 1, letter a, IW en subsidiair op grond van artikel 18 WvK voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen BTW die naar aanleiding van een BTW-carrouselfraude aan Italmoda waren opgelegd. X ging in beroep. Hij stelde dat hij in 1999 en 2000 nog wel ingeschreven stond als bestuurder van Italmoda maar zich in die jaren al niet meer bemoeide met de bedrijfsvoering omdat zijn kinderen het bedrijf wilden voortzetten. Alleen de bank had voor een financiering als voorwaarde gesteld dat X vennoot van Italmoda zou blijven. Rechtbank Haarlem besliste dat X terecht hoofdelijk aansprakelijk was gesteld. Op 6 december 2016 kregen de erfgenamen van de inmiddels in 2013 overleden X een dwangbevel voor de bestuursaansprakelijkheid van X. De erven gingen in hoger beroep. Hof Amsterdam besliste echter dat artikel 33 IW ook van toepassing was ten aanzien van een gewezen bestuurder van een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een vof. Met het aansprakelijk stellen van X en niet de overige vier (voormalige) vennoten van Italmoda, had de ontvanger volgens het Hof ook niet de grenzen van zijn bevoegdheid overschreden. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de erven X toch nog gegrond omdat de aansprakelijkheid te hoog was vastgesteld en verminderde deze naar € 1.032.126. De erven X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat het bij de hoofdelijke aansprakelijkheid in artikel 33, lid 1, letter a, IW ging om de belastingschulden van het lichaam die materieel waren ontstaan vóór of tijdens de periode waarin de aansprakelijkgestelde bestuurder van dat lichaam is of was. Deze aansprakelijkheid eindigde niet doordat de betrokkene ophield bestuurder van het lichaam te zijn; anders zou een bestuurder zijn aansprakelijkheid kunnen beëindigen door af te treden. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat artikel 33, lid 1, letter a, IW óók als bestuurder aanmerkte de volledig aansprakelijke vennoot van een maat- of vennootschap. De vennoot bleef op grond van artikel 18 WvK ook ná zijn uittreden uit een vof volledig aansprakelijk voor de vóór zijn uittreden ontstane schulden van de vof. Hiermee strookte dat artikel 33, lid 1, letter a, IW ook van toepassing was op de gewezen bestuurder. De Hoge Raad verwierp de stelling van de erven dat uit artikel 36, lid 5, letter a, IW volgde dat artikel 33, lid 1, letter a, IW niet van toepassing was op de gewezen bestuurder en verklaarde het cassatieberoep van de erven X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.