Rente over earn-out- en anti-speculatievergoeding belast

Datum: 25 september 2020

In 2006 verkocht BV X haar aandelen in BV C aan BV B tegen een vaste koopprijs van € 2,5 mln en een variabele koopprijs (earn-out) van 50% van de winst na belasting boven de € 600.000 over 2006 en 2007. BV X en BV B waren eerder een anti-speculatiebeding overeengekomen. In 2008 verkocht BV B alle aandelen BV C aan een derde. In een daarop aangespannen civiele procedure besliste Rechtbank Oost-Brabant dat BV X recht had op een earn-outvergoeding over 2007, vermeerderd met de contractuele rente. De civiele rechter veroordeelde BV B verder tot betaling van een anti-speculatievergoeding plus wettelijke rente vanaf 30 januari 2008 tot aan de dag van betaling. BV X ontving in 2013 van BV B € 138.611 rente over de earn-outvergoeding en € 134.756 rente over de anti-speculatievergoeding. BV X ging in beroep en stelde dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing was op de door haar ontvangen rentebedragen. Hof Den Bosch was dat echter net als Rechtbank Zeeland-West-Brabant niet met haar eens. BV X ging in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof bevestigd. De Hoge Raad was het eens met de beslissing van het Hof dat de contractuele rente over de earn-outvergoeding niet deel uitmaakte van de prijs van de aandelen in BV C omdat deze rente het gevolg was van de te late betaling door de koper. Met betrekking tot de wettelijke rente over de anti-speculatievergoeding besliste de Hoge Raad dat door de werking van het anti-speculatiebeding het belang bij de door BV B van BV X verworven aandelen in BV C was opgesplitst. De anti-speculatievergoeding viel rechtstreeks onder de reikwijdte van artikel 13, lid 1, Wet Vpb. Voor de vraag of de wettelijke rente over de anti-speculatievergoeding onder de deelnemingsvrijstelling viel, was daarom beslissend of ook deze rente kon worden aangemerkt als een voordeel uit een (opgesplitst belang bij een) deelneming in de zin van artikel 13, lid 1, Wet Vpb. In de beslissing van het Hof dat de wettelijke rente over de anti-speculatievergoeding niet deel uitmaakte van de prijs van de aandelen BV C omdat deze rente het gevolg was van de te late betaling door BV B, lag volgens de Hoge Raad besloten dat de wettelijke rente niet was aan te merken als voordeel uit hoofde van een (opgesplitst belang bij een) deelneming in de zin van artikel 13, lid 1, Wet Vpb. De Hoge Raad was het daarmee eens en verklaarde het cassatieberoep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.