Notaris door instructies niet aansprakelijk voor niet-aangeven 2%- tarief ODB

Datum: 23 september 2020

X kocht van zijn vader Y een woning die in 1953 was aangekocht door De Provincie Limburg voor de planologische dienst en sinds 2002 in gebruik was bij de Universiteit Maastricht. In de door de naast het pand wonende notaris A opgestelde akte van levering van 10 juni 2016 werd het pand omschreven als kantoorpand met 6% aan overdrachtsbelasting over de koopsom van € 1.150.000. A maakte in maart 2017 namens X bezwaar en stelde dat een woning was geleverd waarvoor het 2%-tarief gold. Toen de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde vanwege termijnoverschrijding stelde X de notaris aansprakelijk en vorderde € 46.000 aan te veel betaalde ODB. Volgens X had A een beroepsfout gemaakt door de beschikbare informatie over het pand niet te onderzoeken waardoor X een kans was ontnomen op het 2%-tarief. De civiele kamer van Hof Den Bosch stelde vast dat A door de door X gevolmachtigde Y was benaderd met een gedetailleerde instructie per e-mail waarin stond dat A het 6%-tarief moest hanteren. Y was advocaat, presenteerde zich zo, kwam vaker met vastgoedtransacties bij A en werd bijgestaan door een fiscaal adviseur wat A ook wist. Volgens het Hof was de instructie voor het te hanteren percentage ODB duidelijk en ook afkomstig van een professionele en ervaren gevolmachtigde die daarbij werd geadviseerd door een fiscalist. Onder die omstandigheden had A ervan mogen uitgaan dat de instructie een weloverwogen instructie was. Ook volgens de criteria van het door X genoemde ná de verkrijging verschenen arrest van 24 februari 2017 was volgens het Hof voor A niet meteen duidelijk dat hij te maken had met een woning in plaats van met een kantoorpand. Het pand was weliswaar oorspronkelijk gebouwd als woning, maar was al meer dan 60 jaar als kantoorpand in gebruik. A wist dat, en wist als buurman van het pand ook dat de Universiteit daar een faculteit in had. Y had bovendien bij het geven van de instructie ook taxatierapporten aan A gegeven waarin het pand werd aangeduid als kantoor. Het pand werd zo ook aangeduid in het kadaster en bij voorgaande verkrijgingen. A had volgens het Hof ook geen nader onderzoek hoeven doen. Volgens het Hof kon niet worden geconcludeerd dat A bij het uitvoeren van de opdracht, conform die instructie, niet de zorgvuldigheid had betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mocht worden verwacht. Het Hof besliste tot slot dat X onvoldoende had onderbouwd dat hij A binnen de bezwaartermijn opdracht had gegeven tot het maken van bezwaar.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.