BTW-koepelvrijstelling voor leerkrachtenpool

Datum: 16 september 2020

Stichting X was een samenwerkingsverband van een aantal schoolbesturen in het basisonderwijs. In totaal waren 86 scholen met ruim 16.500 leerlingen bij X aangesloten. X beoogde geen winst en beheerde een pool van leerkrachten die ingezet konden worden bij één van de aangesloten scholen. Zij bemiddelde tussen de scholen met personeelsbehoefte en de leerkrachten uit de pool. De leerkrachten waren niet in dienst bij X, maar bij een van de deelnemende scholen of werden in dienst genomen door de school waar zij werden ingezet. In 2017 en 2018 ontving X van de scholen respectievelijk 2.600 en 2.415 bemiddelingsverzoeken. De inspecteur legde daarop naheffingsaanslagen BTW op over 2017 en 2018. X ging in beroep en stelde dat de koepelvrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel u, Wet OB op haar diensten van toepassing was. Volgens X waren haar diensten rechtstreeks nodig voor de onderwijsprestaties van de scholen, vorderde zij van haar leden alleen terugbetaling van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven, en trad er geen verstoring van de concurrentieverhoudingen op. Rechtbank Den Haag was het met X eens dat de koepelvrijstelling in dit geval van toepassing was. X had volgens de Rechtbank aannemelijk gemaakt dat haar diensten volledig waren toegesneden op de behoeften van haar leden en uitsluitend aan de leden werden verricht. De scholen zouden geen diensten van X afnemen als zij geen onderwijstaken zouden verzorgen en X zou de diensten niet aan de scholen verrichten, als deze geen onderwijstaken zouden verrichten. De eis dat de diensten van X rechtstreeks nodig waren voor het verzorgen van onderwijs ging niet zó ver dat het zonder die diensten voor de scholen onmogelijk was om onderwijstaken te verrichten. Ook was aannemelijk dat X voor haar bemiddelingsdiensten van de scholen uitsluitend terugbetaling had ontvangen van het aan hen toe te rekenen aandeel van haar uitgaven. De Rechtbank verwierp de stelling van de inspecteur dat toepassing van de koepelvrijstelling zou leiden tot een verstoring van de concurrentieverhoudingen met andere aanbieders van bemiddelingsdiensten. De wetsgeschiedenis wees op een uitputtende regeling, zodat de diensten die niet expliciet waren uitgezonderd van de vrijstelling, onder de vrijstelling vielen. De bemiddelingsdiensten van X waren niet in artikel 9a UVBG OB of elders uitgezonderd van de vrijstelling zodat verstoring van concurrentieverhoudingen in dit geval op grond van de nationale wet niet in de weg kon staan aan een eventuele toepassing van de vrijstelling. Ook als géén sprake zou zijn van een uitputtende regeling, was de vrijstelling volgens de Rechtbank van toepassing omdat artikel 11, lid 1, onderdeel u, Wet OB en ook de artikelen 9 UVBT OB en 9a UVBG zoveel mogelijk moesten worden uitgelegd in het licht van de bewoordingen en het doel van de BTW-Richtlijn 2006. De Rechtbank besliste dat de koepelvrijstelling ten onrechte niet was toegepast en verklaarde de beroepen van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020