Datum in beschikking geruisloze inbreng herstelbare kenbare fout van inspecteur

Datum: 14 september 2020

X en zijn echtgenote Y exploiteerden een horecaonderneming in een vof. Op 3 januari 2017 sloten zij een voorovereenkomst voor de inbreng van de onderneming van de vof in een BV. Hun gemachtigde verzocht de inspecteur om terugwerkende kracht aan de voorovereenkomst te verlenen tot 3 oktober 2016. Hij vermeldde daarbij dat het een ruisende inbreng betrof. Op 10 april 2017 werd de inbreng in de BV geformaliseerd. Het echtpaar besloot tot een geruisloze inbreng met ingang van 1 januari 2017. De gemachtigde stelde de inspecteur hiervan in mei 2017 op de hoogte en verzocht om een beschikking geruisloze inbreng. De inspecteur gaf de beschikking af, maar vermeldde 3 oktober 2016 als tijdstip van overgang van de onderneming. In zijn aangifte IB 2016 gaf X zijn aandeel in de winst van de vof over het hele jaar 2016 aan. De inspecteur stelde de aanslag vast overeenkomstig de aangifte. X ging vervolgens in bezwaar en beroep. Hij stelde dat de onderneming met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2016 geruisloos was ingebracht in de BV, zodat het na 3 oktober 2016 door de vof behaalde resultaat uit zijn winst voor het jaar 2016 moest worden geëlimineerd. Rechtbank Noord-Holland was het daar niet mee eens. Hoewel de wetgeving niet voorzag in het herzien van een onherroepelijke beschikking geruisloze inbreng, was dit volgens de Rechtbank toch mogelijk als sprake was van een ook voor de belanghebbende kenbare fout. Vervolgens besliste de Rechtbank dat X redelijkerwijs had kunnen en moeten begrijpen dat de door inspecteur gegeven beschikking voor een geruisloze omzetting per 3 oktober 2016 onjuist was. Van zijn gemachtigde mocht zeker worden verwacht dat de gemaakte fout voor hem als redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur op het eerste gezicht kenbaar was geweest. In mei 2017 was uitgegaan van een geruisloze inbreng per 1 januari 2017 en de civielrechtelijke documentatie bevestigde ook dat met terugwerkende kracht naar de datum van 1 januari 2017 was ingebracht. De beschikking geruisloze inbreng was opgemaakt naar de financiële situatie op 1 januari 2017. Hoewel de gemachtigde eerst had gevraagd om een omzetting per 3 oktober 2016, betrof dit geen verzoek om geruisloze omzetting, anders dan het uiteindelijke verzoek, waarin om geruisloze omzetting per 1 januari 2017 werd gevraagd. Dit betekende dat voorbij kon worden gegaan aan de afgegeven beschikking geruisloze inbreng met terugwerkende kracht tot 3 oktober 2016, en de winst van de vof over het gehele jaar 2016 voor het gedeelte overeenkomend met zijn gerechtigdheid bij X belast. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020