BV’s voldeden niet aan consolidatie-eis: holding OZL, geen vrijstelling ODB

Datum: 11 september 2020

Y was enig aandeelhouder van Beheer-BV A, die op haar beurt alle aandelen bezat in werk-BV B. BV A verhuurde al haar onroerend goed aan BV B. In 1995 verkocht BV A de aandelen in BV B aan de BV waarvan de zonen van Y de aandelen bezaten, en in 2003 verkocht deze BV al haar aandelen BV B aan holding-BV X van één van de zonen van Y. BV X verkocht in 2012 5% van haar aandelen BV B aan BV A. In 2015 overleed vader Y. Op grond van zijn testament werd zijn echtgenote enig aandeelhouder van BV A. In 2016 kocht BV X alle aandelen BV A van de echtgenote. In 2018 vond er een juridische fusie plaats waarbij BV X de verkrijgende BV was en BV A en BV B de verdwijnende BV’s. BV X stelde dat er geen overdrachtsbelasting (ODB) was verschuldigd op grond van de doeleis van artikel 4, lid 1, onderdeel a, juncto artikel 4, lid 4, onderdeel a, WBR. Volgens BV X moest op grond van artikel 4, lid 4, WBR consolidatie plaatsvinden tussen BV A en BV B. Door deze consolidatie werd niet voldaan aan de doeleis en werd ook niet voldaan aan de bezitseis, en was BV A geen onroerendezaaklichaam (OZL). Subsidiair stelde zij dat de vrijstelling op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) van artikel 15, lid 1, sub b, WBR van toepassing was omdat sprake was van een verkrijging van een onderneming, al dan niet in fasen. Rechtbank Noord-Nederland stelde BV X op beide punten in het ongelijk. Volgens de Rechtbank kon er geen consolidatie plaatsvinden omdat niet was voldaan aan de daaraan in artikel 4, lid 4, sub a, WBR gestelde eisen: BV A bezat geen belang van ten minste 1/3 in een andere rechtspersoon, BV A vormde geen concern als gedefinieerd in artikel 15, lid 1, onderdeel h, WBR juncto artikel 5b UVBT WBR met BV B, omdat BV A daarin niet het gehele of nagenoeg gehele belang had en BV A hield ook niet samen met een natuurlijk persoon een belang van ten minste 1/3 in een andere rechtspersoon. De enige andere aandeelhouder van BV B was namelijk niet een natuurlijk persoon, maar BV X, en dus een rechtspersoon. Doordat niet kon worden geconsolideerd, voldeed BV A niet aan de bezitseis (meer dan 50% onroerende zaken) en ook niet aan de doeleis (minimaal 70% dienstbaar aan exploitatie van onroerende zaken) zoals gesteld in artikel 4, lid 1, sub a, WBR en was BV A een OZL. BV X had ook geen recht op de BOF omdat zij niet behoorde tot de kring die bestond uit natuurlijke personen. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020