Niet-onderzoeken F-biljet partner geen ambtelijk verzuim: navordering fictief a.b. intact

Datum: 11 september 2020

Mevrouw X en haar echtgenoot Y waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Y overleed in 2010. Op dat moment was mevrouw X enig aandeelhouder van BV C. Het vermogen van BV C bestond op dat moment geheel uit beleggingen. Op 5 december 2011 kwam de aangifte erfbelasting bij de Belastingdienst binnen. Op 15 december 2011 werden de aangiften IB 2010 van Y en mevrouw X ingediend. In de aangifte van mevrouw X was een aanmerkelijk belang (a.b.) in BV C vermeld. In die aangifte was geen vervreemdingsvoordeel aangegeven met betrekking tot de a.b.-aandelen. De aangifte van Y werd gedaan op een F-biljet. De Belastingdienst deed de IB-aangiften gelijktijdig en geautomatiseerd af. De aanslag IB 2010 van mevrouw X werd met dagtekening 19 januari 2012 in overeenstemming met de aangifte vastgesteld. Op 12 maart 2016 legde de inspecteur een navorderingaanslag IB over 2010 op waarbij hij een belastbaar inkomen uit a.b. in aanmerking nam van € 197.434. Volgens hem had mevrouw X op grond van artikel 4.16,?lid 1, letter e, Wet IB 2001 door het overlijden van Y een (fictief) vervreemdingsvoordeel behaald. De inspecteur legde voor hetzelfde bedrag een navorderingsaanslag op aan de erfgenamen van Y. Mevrouw X en de erven Y gingen in beroep en stelden dat het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbrak. Hof Den Haag stelde hen in het gelijk. Het onderzoek van de inspecteur had volgens het Hof verder moeten reiken dan alleen het raadplegen van het (digitale) dossier van Y. De staatssecretaris ging in beide zaken in cassatie. De Hoge Raad stelde voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB mocht uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige bij zijn aangifte had verstrekt. Tot een nader onderzoek was de inspecteur in beginsel niet gehouden. Daartoe was hij wél gehouden als hij, na met normale zorgvuldigheid te hebben kennisgenomen van de inhoud van de aangifte, en ook gezien de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig in die aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel was volgens de Hoge Raad geen aanleiding als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist waren. Dit betekende volgens de Hoge Raad dat de inspecteur niet steeds was gehouden het dossier van de (fiscale) partner van de belastingplichtige te raadplegen. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat de aanwezigheid van de aanmerkelijke kans dat een voordeel uit de fictieve vervreemding van het a.b. in aanmerking zou moeten worden genomen, niet uitsloot dat de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de aangifte juist was. Met zijn beslissing over een onderzoeksplicht van de inspecteur had het Hof volgens de Hoge Raad een onderzoeksplicht aangenomen die verder ging dan de hiervoor genoemde maatstaf. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van de staatssecretaris gegrond en verwees de zaak naar Hof Amsterdam voor een nieuwe behandeling van de zaak in volle omvang.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 25-09-2020